De Correspondent
Lezing Willem Schinkel
SoundCloud

Ik wil jullie iets vertellen over mijn ambivalentie bij wat vanavond ‘De Grote Utopieshow heet.’ Ik vraag me namelijk af of het vanavond wel over de utopie gaat, of toch over te realiseren maatregelen. Mijn ambivalentie bestaat er voor een deel uit dat ik grote, heel grote sympathie voor veel van de maatregelen in Rutgers boek heb. En toch heb ik er ook grote problemen mee. Wie hier met sympathie zit, heeft hopelijk iets aan mijn problemen. En wie hier met een probleembesef zit, kan misschien met mijn grote sympathie meevoelen.

Ik ben socioloog en filosoof – ook daarin ambivalent – en ik wil jullie vier stellingen voorleggen. De eerste is een sociologische stelling; de tweede een filosofische; en vanaf daar wordt alles vanzelf helder.

1. De wereld, en alles wat erin gebeurt, is alledaags implausibel

De sociologische stelling waarmee ik wil beginnen, is deze: de wereld, en alles wat erin gebeurt, is alledaags implausibel. Anders gezegd, de wereld is een doodnormale onwaarschijnlijkheid. Alles wat gebeurt, is alleen waarschijnlijk – als het dat is – omdat het waarschijnlijk gemaakt wordt. Daarvoor bestaan sociale mechanismen, en om die te illustreren, wil ik een bijna retorische vraag stellen: heeft er hier iemand een smartphone? Mag ik van iemand smartphone lenen?

Mijn volgende vraag is: mag ik deze telefoon hebben, hebben om te houden? Het is onwaarschijnlijk dat dat mag. Maar als ik je er 10 miljoen euro voor geef, mag ik hem dan meenemen? Een wonder! Ineens wordt het onwaarschijnlijke waarschijnlijk.

Geld is dus een manier om iets wat heel erg onwaarschijnlijk is, heel erg waarschijnlijk te maken. Macht is dat ook. Als ik dictator van Nederland zou zijn en zou vragen of ik deze telefoon zou mogen hebben, zou dat waarschijnlijk mogen. En, ten slotte, als wij geliefden zouden zijn en jij van mij zou houden, zou ik vast ook de telefoon mogen hebben. Ook liefde is dus een mechanisme dat onwaarschijnlijkheden in waarschijnlijkheden transformeert.

Dat betekent dat de kracht van verbeelding enorm is. Allerhande onwaarschijnlijkheden worden waarschijnlijk via een enorm werk van verbeelding. Liefde moet verbeeld worden, maar ook een economie. Een bruto binnenlands of nationaal product, bijvoorbeeld, is geen beschrijving van een toestand, een stand van zaken die voor de beschrijving al bestond. Vanaf het eerste gebruik ervan in de zeventiende eeuw was het vooral een techniek om de economie te besturen, onder meer om meer belastingen te kunnen heffen, en niet in de eerste plaats om te beschrijven.

Dus: de wereld is alledaags onwaarschijnlijk, en zonder een alledaags werk van verbeelding zouden we onze alledaagse waarschijnlijkheden niet hebben. Verbeelding is cruciaal, en dat heeft relevantie voor wat ik over de utopische verbeelding wil zeggen.

2. Toen wij in de wereld aankwamen, bleek hij kapot te zijn

De filosofische stelling, mijn tweede these, is dit: toen wij in de wereld aankwamen, bleek hij kapot te zijn. Een huis om in te wonen, maar met een woonervaring die naar elders, naar een thuis deed verlangen. Dat is vaak verwoord in de filosofie. De maatschappij, heeft Gilles Deleuze wel gezegd, ‘lekt’. Heidegger zei eerder dat de mens ‘dakloos’ en ‘thuisloos’ is. Ik noem die menselijke conditie de schizotopie, het hier en daar zijn van de mens, zijn fundamentele thuisloosheid, het nergens naadloos met zichzelf

De schizotopische thuisloosheid van de mens is ook een productieve kracht die afgronden als aanleiding voor bruggenbouw ziet, lekken als aanleiding voor woningbouw. De wereld kent scheuren die de productieve aanzet zijn tot creatieve overbruggingen. En dat is waarom er sociaal en politiek leven is: zonder onbegrip was taal overbodig, zonder verschil was er alleen onverschilligheid, zonder kerk geen ketterij, zonder macht geen vrijheid, en zonder Mark Rutte een minder helder idee van wat een politieke visie dan wel is.

Er zijn breuken van onbegrip, antagonisme, dissensus en onzekerheid die overbrugd moeten worden. Schizotopie behelst dus de ervaring dat de wereld nooit een naadloos thuis aan de mens biedt. Dat de mens in deze wereld maar eigenlijk ook in een andere, betere is. Dat de mens gefragmenteerd is, geen mens maar een fragmens. En dat dat de productieve kracht is die heel het leven doet ontvouwen.

In onze overlevering is de Val uit het Paradijs van Adam en Eva de oerscène van de schizotopische verbeelding. Veel later is ook de utopie één mogelijk antwoord op het feit dat toen wij in de wereld aankwamen, de wereld kapot was. De utopie is dus een manier om via verbeelding om te gaan met de thuisloosheid van de mens op deze onwaarschijnlijke en kapotte wereld.

3. De utopie dreigt tegenwoordig systeembevestigend te zijn

Als ik heel kort (belachelijk kort) zou schetsen wat er met de utopische verbeelding gebeurd is, dan zou ik het volgende zeggen. Utopieën ontstaan op het moment dat alternatieven denkbaar worden. Dat maakt ze modern, omdat een wereld die door natuurlijke doeleinden of goddelijke plannen wordt geregeerd geen alternatieven denkbaar maakt.

De eerste echte utopieën zijn vroeg modern en komen uit de zestiende eeuw. Kenmerkend aan Thomas More’s Utopia, Bacon’s New Atlantis en Campanella’s Civitas Solis is dat ze niet als realiseerbare plannen ontworpen waren; ze waren eerder een omgang met het feit dat verandering mogelijk bleek, en ze moesten oriëntatiepunten bieden in een tijd waarin de oriëntatie op drift raakte (bedenk dat ‘oriëntatie’ komt van het zich richten op het oosten, de Oriënt, op Jeruzalem; vanaf eind vijftiende eeuw richt men zich op het westen en zoekt het paradijs in wat ‘de nieuwe wereld’ gaat heten).

Daarom koos More de naam ‘utopie’, wat zowel gelukkige plaats betekent, als niet-bestaande plaats. Het laatste is cruciaal. Dat verandert in latere eeuwen, wanneer utopieën steeds sterker fungeren als te realiseren plannen. Daaraan heeft de utopie tegenwoordig haar slechte naam te danken onder babyboom intellectuelen.

Hippies van toen zijn de managers van nu, of de New Agers, met een mooi pensioen na een lange vaste baan. Eigenlijk is met de zogenaamd kritische generatie van ‘68 dit gebeurd: hun kritiek is systeem geworden

Wat je daarbij veel ziet, is een tot inkeer komen van mensen die rond 1968 kritisch waren. Hippies van toen zijn de managers van nu, of de New Agers, met een mooi pensioen na een lange vaste baan. Eigenlijk is met de zogenaamd kritische generatie van ‘68 dit gebeurd: hun kritiek is systeem geworden. Hun zogenaamde anti-systeemwaarden zijn de dwang van vandaag geworden: autonomie, creativiteit, flexibiliteit, innovativiteit, spontaniteit, verandering, out-of-the-box-denken en je leven lang leren – dat zijn allang geen revolutionaire waarden meer, maar kernwaarden van hedendaags technodemocratisch kapitalisme. ‘68 ruimde feitelijk enkele culturele obstakels weg voor een nieuw soort postindustrieel kapitalisme dat al in opkomst was. Zelfs toen de hippies revolutionair dachten te zijn, waren ze de avant-garde van het nieuwe kapitalisme.

Vandaar dat de kritische geesten van toen tot inkeer gekomen zijn en zien dat het allemaal niet zo revolutionair hoeft. Vandaar dat links en rechts nog maar weinig betekenis hebben in een tijd waarin het hele spectrum naar rechts verschoven is. En vandaar dat er nog maar weinig fundamentele strijd – ofwel politiek – te vinden is in het theatrale gekissebis over onnozelheden dat ‘de politiek’ heet.

Niet alleen moeten onze grootste zorgen over rechtvaardigheid, economie en ecologie in de adempauzes van Matthijs van Nieuwkerk en collega’s uitgelegd kunnen worden; er zijn in deze nieuwe kerk ook helemaal geen ideologische verschillen: ideologie en utopie zijn expliciet ongeschikt verklaard.

De utopie ontstond dus in een tijd dat alternatieven denkbaar werden, maar ze dreigt ten onder te gaan in een tijd waarin de bestaande orde zich juist in stand houdt via de verbeelding van alternatieven. Dat is namelijk wat onze maatschappij kenmerkt: ze creëert realiteit via zelf opgetuigde tegenspraak. Mijn derde stelling is dus: de utopie dreigt tegenwoordig systeembevestigend te zijn.

De verbeelding van alternatieven, maar nooit fundamentele alternatieven, is wat ons technodemocratisch kapitalisme drijvend houdt

De verbeelding van alternatieven, maar nooit fundamentele alternatieven, is wat ons technodemocratisch kapitalisme drijvend houdt. Vandaar de noodzaak tot creativiteit, innovativiteit, flexibiliteit, out of the box denken, utopisch denken misschien zelfs, à la SBS6 – maar nooit fundamenteel, altijd gedoseerd. Gedrogeerd, zou Marx misschien zeggen.

En vandaar dat er gezegd wordt dat er geen alternatieven zijn: alles blijft binnen de parameters van het bestaande, zelfs de meest bombastisch verbeelde informatierevoluties of technologische revoluties blijven binnen de logica van de ‘groei’ – of om het niet-eufemistisch te zeggen: de logica van de exploitatie. Democratie is voor die toestand perfect geëigend, want ook daaraan is vaak moeilijk te ontsnappen: in de democratie mag je zelfs tegen de democratie zijn.

Dat levert een gedepolitiseerde tijd op, waarin wie werkelijk utopisch denkt al snel verweten wordt ‘terug te willen naar de jaren zeventig’. Maar nee, juist de jaren zeventig hebben de utopie verkocht.

De tragiek van de utopie in de linkse politiek is dat de expliciete afschaffing van de utopische verbeelding dus misschien nog wel de meest linkse omgang met de utopie geweest is. Want als de utopie een nuttig aanpassingsinstrument van de bestaande orde geworden is, is de afschaffing ervan een daad van verzet. Maar niet echt natuurlijk, want het betekent ook de volledige uitputting van linkse politiek; de verwording tot een ‘links’ dat alleen nog plausibel kan zijn door er ‘groen’ voor te zetten – alsof het claimen van de laatst overgebleven basiskleur – naast rood en blauw – werkelijk een alternatieve politiek betekent.

Veel van jullie, ikzelf ook, zijn opgegroeid in de jaren negentig, waarin in cultuur, filosofie en politiek het verhaal groot werd dat geen grote verhalen verteld dienden te worden. Ons werden alleen verhaaltjes verteld, voor het slapen gaan. Maar zijn we nu weer wakker wanneer we utopisch denken herontdekken?

Wanneer we beleidsvoorstellen doen, zoals een basisinkomen – ik heb daar zelf ook voor gepleit, zeg ik er direct bij – of wanneer we het wat paradoxaal klinkende ‘gratis geld’ bepleiten, wanneer we een andere inrichting van het belastingstelsel voorstellen – zijn dat dan utopische voorstellen? Zijn dat echt niet ‘maatregelen’? Of bestendigt gratis geld het neoliberale idee van het individu als ondernemer, die alleen maar startkapitaal nodig heeft om zichzelf te vermarkten?

Ik blijf zitten met ambivalentie. Want veel maatregelen die Rutger voorstelt vind ik uitermate sympathiek, en ik zou er zo voor stemmen. Maar deze avond lijkt me dan iets te gemakkelijk en al te gezellig worden. En dan knaagt het bij mij want we leven in een kapotte wereld waarvoor de utopie cruciaal is, maar niet als technische ‘fix’.

Dus al die voorstellen, vraag ik me hardop af, zijn die misschien de definitieve inschakeling van de utopische verbeelding in het technodemocratisch kapitalisme, waarin de utopie ditmaal niet eens meer als bedreigend wordt gezien en bestreden wordt, maar simpelweg als ordebestendigend project verschijnt, als procedure voor technocratische finetuning? Als onderdeel van het probleemmanagement dat voor politiek doorgaat? Als cruciaal overlevingsmechanisme voor een maatschappij die werkelijkheid creëert via de verbeelding van tegenspraak?

Utopische verbeelding betekent een verbeelding van de totaliteit van onze toestand. Utopische verbeelding is breken met de parameters van het bestaande dat verbeeld wordt als alternatiefloos

Ik vraag dat omdat ik denk dat, ook al heb ik dat zelf ook gedaan, de utopie nooit verward mag worden met individuele, technische maatregelen. Maatregelen op zich zijn prima en noodzakelijk, maar niet als utopische expressievorm. Utopische verbeelding betekent een verbeelding van de totaliteit van onze toestand. Utopische verbeelding is geen belastingmaatregel of belastingsysteem voorstellen, maar breken met de parameters van het bestaande dat verbeeld wordt als alternatiefloos. Dat maakt utopische verbeelding lastig, vervelend misschien, te moeilijk, onoverzichtelijk. ‘Heb ik dan het alternatief?’, krijg ik vaak te horen als ik dit zeg. ‘Wel, nee, luie nepdemocraat’, is dan de gekuiste versie van mijn antwoord. Alsof een alternatief leven door één witte man bedacht zou moeten of kunnen worden. En alsof we daarvoor niet collectief aan de slag moeten.

Veel mensen vinden ‘systeem’ en ‘kapitalisme’ een abstractie. Is ‘kapitalisme’ niet ook een wat ongemakkelijk woord? Een groot woord. Een woord uit eerdere tijden. Langharige types hadden het daarover. Niet mensen die keurig creatief zijn. Die graag artikelen uit De Correspondent doorsturen naar anderen. Omdat ze sowieso graag delen – en heus niet omdat ‘delen’ de manier is om de laatste restanten van het private leven in geld uit te drukken.

Mensen die ‘links’ zijn, en dat best durven zeggen. Mensen dus, die het beste met de wereld voor hebben, die nog verontwaardigd zijn als ze vanonder hun fleece dekentje onrecht op Youtube zien, en die er dan over twitteren. Fatsoenlijk linkse mensen, hoog opgeleid, creatief, geïnteresseerd in de wereld, geïnteresseerd in dialoog, in erover praten, in redelijkheid.

Die een pijnlijke duim hebben, zo vaak ‘liken’ ze een project voor een betere wereld. Mensen misschien, die websites of technologische foefjes ontwikkelen om de ecologie te redden, tussen hun vliegtuigtrips naar China en South by Southwest door. Mensen die niet meer zo negatief willen zijn, die niet willen verwerpen, maar willen ontwerpen. Met ‘Don’t resign; design!’ als motto.

Mensen die stevig over politiek willen discussiëren, maar het moet wel altijd gezellig blijven. Mensen die wel willen nadenken, maar er moeten ook wel plaatjes zijn, want dit is de eenentwintigste eeuw. Mensen die argumenten willen, geen retoriek, maar dit is wel de eenentwintigste eeuw. Mensen die óók over Plato en Kant gelezen hebben. Die in permanente beweging willen blijven en op cursus gaan om in rust te zijn.

Mensen, die zelf ook helemaal niet echt geloven dat alles anders kan zijn maar die heel bang zijn voor mensen die alles heel anders doen. Mensen die ook zo teleurgesteld zijn in Barack Obama. Mensen die na Thomas Piketty gewoon weer ‘kapitalisme’ durven zeggen op feestjes. Mensen, tenslotte, die na het eind van de grote verhalen weer utopisch durven praten maar denken dat de utopie een grote show is.

4. We hebben Grotere Verhalen nodig

Als ik wat irritant overkom, dan is dat omdat ik wil irriteren in de positieve, transformerende zin van het woord. Ook omdat ik er veel belang aan hecht dat de kracht van de utopie ligt in het nooit vastleggen van een thuis. Het punt is dat menselijk leven betekent dat we ons in een tussen bevinden. Altijd tussen huis en thuis, tussen plaats en utopie.

De utopie kan niet gefixeerd worden, of geclaimd, gemonopoliseerd, of vermaatregeld. Maar hij moet er wel zijn om de basale spanning in het leven te houden, tussen de twee zijden van de wereld, tussen het actuele en het potentiële. Leven is, zei Nietzsche, een koorddanser zijn. Je tussen twee uiteinden bevinden. De ene is de kapotte wereld. De ander de utopie.

Dus kom vanavond vooral met maatregelen, want we hebben er veel nodig, maar noem ‘utopie’ die verbeelding die onderkent waar de wereld kapot is, dat exploitatie overal is en rechtvaardigheid schijnheilig tot recht gereduceerd wordt. Dat, bijvoorbeeld, een gang naar de supermarkt betekent dat je bloed aan je handen hebt, en dat dat om verandering vraagt op een iets hoger schaalniveau dan dat van de managementmaatregelen, ook al is het daarmee niet direct in zicht. Dat ‘Europa’ betekent dat we medeplichtig zijn aan de dood van 9 kinderen bij Farmakonisi begin vorig jaar, omdat de Griekse kustwacht namens ons een boot uit Europese wateren probeerde te slepen en migranten van de eigen boot afsloeg.

Ja, we hebben maatregelen nodig, maar het is een illusie te denken dat alleen voorstellen of zelfs maatregelen levens redden. We hebben, dat is mijn vierde en laatste stelling, ook Grote Verhalen nodig over wat we waardevol leven vinden – veel grotere dan die afgeschafte verhalen. Niet alleen gratis geld maar ook een verhaal dat vreemd genoeg voor abstract doorgaat: een verhaal over wat het werkelijk betekent rechtvaardigheid te willen in het leven.

De utopie, zei Ernst Bloch, wordt door de ‘noch nicht Erfahrung’ gekenmerkt. Dat is de kracht ervan. De utopie mag nooit de schizotopie willen afschaffen, want het kapotte van de wereld, dat is het pijnlijke, is het productieve eraan. Het is naïef te denken dat rechtvaardigheid ooit gerealiseerd wordt, dat de wereld ooit niet kapot zal zijn. Daarom hebben we maatregelen nodig die de wereld beter maken, jawel, zelden zoveel geweldige ideeën daarvoor als vanavond, en ik sta aan jullie kant. Maar die maatregelen zijn de utopie niet; die moeten worden geïnspireerd door de utopie, die oriëntatie mogelijk maakt aan de horizon zonder onderdeel te worden van het alledaagse probleemmanagement.

Als je denkt dat dit een filosofisch verhaal is dat geen praktische relevantie heeft, heb je het mis. Onze democratie heeft de structuur van de utopie: democratie is utopisch, want het regeren van, door en voor de mensen kan nooit gerealiseerd worden. De reden dat ik in mijn boek De nieuwe democratie heb gepleit voor het openhouden van een utopische horizon is dat de koppeling tussen ons type representatieve democratie en kapitalisme als enig mogelijke wordt

Werkelijke alternatieven bestaan niet, is het idee, en dat is waarom zogenaamd politieke uitersten samen regeren en waarom verkiezingen – zelfs te midden van een crisis, en ‘crisis’ betekent letterlijk ‘beslissing’ – over procentpunten koopkracht in 2040 gaan. Ook gisteren bleek dat de meest verreikende kabinetsvisie is: ‘positieve koopkrachtontwikkeling voor de meerderheid’.

Zo’n democratie is een wandelend lijk. Iets eerbiediger gezegd is het een museum, dat ook inderdaad prat gaat op het zuiver houden van zijn cultureel erfgoed en op het beveiligen van de museumingangen. Wij leven nog in de tijd van de grote depolitisering, waarin fundamentele verschillen uit de politiek verdwenen zijn, waarin politiek is gereduceerd tot probleemmanagement, waarin de regering het managementteam van de bv Nederland is, waarin de premier denkt dat ‘visie’, zoals hij zei, een ‘olifant’ is, en waarin vernieuwende maatregelen doorgaan voor een grote utopieshow.

Maar als ons verteld wordt dat er geen fundamentele alternatieven zijn, dat alles dat er te ‘verkiezen’ is altijd al binnen de parameters van de bestaande orde gesitueerd is die zelf nooit gekozen kan worden, dan is de vraag of we niet met een cynisch verlicht bewustzijn leven. Verlicht, omdat we denken het eindmodel te hebben gevonden en alleen nog aan technische perfectionering hoeven te doen. En cynisch, omdat we toegeven dat vrijheid geen optie is. Want wat is vrijheid anders, dan het hebben van alternatieven? De kracht van de democratie is juist dat de horizon altijd open blijft, dat nooit het ‘bestemming bereikt’ gescandeerd wordt.

Er is een kort verhaal van Franz Kafka dat ‘Der Kreisel’ heet, ‘De tol’, en daarmee wil ik eindigen. Een man, een filosoof, komt vaak langs kinderen die met een tol spelen en is gefascineerd door de beweging van de tol. Hij wil die bevatten en altijd pakt hij de tol, en gooit hem dan teleurgesteld op de grond. Steeds kan hij hem niet laten bewegen zoals de kinderen dat doen, en het lukt hem niet de beweging te vatten. De man is degene die afscheid nam van de Grote Verhalen en die politiek-utopische verbeelding tot realiseerbare maatregelen afzwakt. De bewegende tol is de utopie. De vraag vanavond is: zijn wij de man, of de kinderen?

‘Laten we weer utopisch denken’ Een tijdje geleden werd ik door Vrij Nederland geïnterviewd over het nut van utopisch denken. Lees het stuk hier Wil je ‘Gratis geld voor iedereen’ bestellen? Dat kan! Het papieren boek kost €18 en het e-boek €7. Het e-boek ontvang je in pdf, epub en Kindle-formaat in de mail, het papieren boek doen we meteen op de post (en we rekenen geen verzendkosten). Bestel het boek hier