In de openingsscène van de aflevering The Great Game van de Britse serie Sherlock Holmes zit de hoofdpersoon tegenover een gevangene in een zaal van een gevangenis. De verhouding tussen de twee mannen is vanaf het eerste shot duidelijk: de gevangene wil iets van Holmes waar de detective totaal geen zin in heeft. De man in oranje bajeskleding smeekt de briljante Holmes om hem te helpen bij zijn strafzaak. Holmes gedraagt zich zoals trouwe kijkers van de serie hem kennen: arrogant en ongeïnteresseerd. Voor dommere mensen dan hijzelf heeft hij geen geduld en als de gevangene over zijn woorden struikelt en grammaticale fouten maakt, corrigeert Holmes de man op betweterige wijze.  

Een paar weken geleden herhaalde deze scène zich in Amsterdam, tijdens mijn interview met Evgeny Morozov. Voor de duidelijkheid: ik was de gevangene. 

Ik had al in verschillende gelezen dat het Wit-Russische wonderkind geen makkelijke gesprekspartner voor journalisten was. Maar goed, dacht ik, er zijn weinig mensen die zijn werk zo goed kennen als ik, we bewonderen dezelfde denkers en filosofen, dus dat interview zal wel goedkomen. 

Morozov was in Nederland op uitnodiging van het Mediafonds, dat hem had gevraagd een lezing te geven voor haar 25-jarig jubileum. Een perfecte keuze. De pas 29-jarige denker heeft zichzelf in korte tijd ontwikkeld tot een intellectueel van wereldformaat, die de discussie over de rol van technologie in de samenleving eigenhandig naar een hoger niveau heeft getild. In zijn en  die met hoge frequentie in toonaangevende internationale kranten en tijdschriften verschijnen - fileert Evgeny Morozov populaire ideeën over technologie. 

Het hedendaagse technologiedebat heeft een denker als Morozov nodig

Hij stelt én beantwoordt ingewikkelde vragen, zoals: bestaat er wel zoiets als "het internet"? Welk probleem lost deze nieuwe technologie eigenlijk op en welke nieuwe problemen brengt het met zich mee? En waar hebben mensen het over als ze over "privacy" en "surveillance" praten? Zijn methode is filosofisch en linguïstisch: hij ontleedt telkens de kern van een begrip of uitspraak en bespreekt daar de consequenties van. Hij weet zijn theoretische verhandelingen bovendien knap te larderen met concrete voorbeelden die voor iedereen begrijpelijk zijn. En dat slaat aan: hij vliegt de hele wereld rond voor lezingen en zijn boeken zijn bestsellers. Het hedendaagse technologiedebat heeft een denker als Morozov nodig. 

 

Evgeny Morozov, 2013. Foto: Hollandse Hoogte

Evgeny Morozov, 2013. Foto: Hollandse Hoogte

Vanaf het moment dat wij tegenover elkaar zitten in een ruimte van het statige grachtenpand van het Mediafonds, kijkt hij mij met priemende ogen aan. Nee, dit is geen schrijver die zijn boeken koste wat kost wil verkopen en de interviewer daarom graag naar de mond praat. 

In je nieuwste boek uit je stevige kritiek op journalisten die over technologie schrijven. Zij begrijpen niet wat technologie is en zijn totaal niet kritisch. Welke lessen kunnen journalisten trekken uit jouw ideeën? 
‘Waarom vraag je dat aan mij? Jij bent hier toch de journalist?’

Ik ben benieuwd naar jouw ideeën daarover.
‘De meeste technologiejournalisten denken dat hun werk inhoudt dat ze moeten schrijven over wat er in Silicon Valley gebeurt. Ze vragen zich niet af waaróm het gebeurt en wat de politieke en maatschappelijke consequenties zijn. Hun artikelen gaan over de laatste gadgets, de nieuwste nieuwtjes, de beurswaarde van Twitter. Daar is een enorme markt voor - hun artikelen worden goed gelezen - maar het is niet het type technologiekritiek dat gepopulariseerd moet worden. Zij hebben geen enkel benul van de geschiedenis van technologie, informatie en communicatie.

Er is geen besef van de eeuwenoude ideeën over technologie, over het ontstaan van Silicon Valley en hoe dat zich verhoudt tot bredere economische en politieke ontwikkelingen. Tot voor kort was er eigenlijk geen serieuze mainstream technologiekritiek. Niemand was geïnteresseerd in polemiek en discussie. Cultuurkenners en economen gaan continu met elkaar in debat, maar de belangrijke woordvoerders op het gebied van technologie wilden daar hun handen niet aan branden. 

Ik zag het als mijn taak om dit gat op te vullen en wilde aan hoofdredacteuren en uitgevers bewijzen dat er wel degelijk waarde zit in het publiceren van hoogwaardige technologiekritiek, vergelijkbaar met de beste literatuur- en kunstkritiek.’ 

‘Ik ben mij bewust van de macht die ik heb, maar ik denk dat ik die macht ook goed gebruik’

Is dat gelukt? Merk je dat er iets is veranderd? 
‘Ik wil mijn eigen verhaal geen prominente plek geven in de recente geschiedenis, maar er is nu veel meer kritiek op Silicon Valley dan, pak hem beet, een jaar geleden. Prominente schrijvers als Thomas Pynchon en Dave Eggers hebben belangrijke, kritische geschreven en er verschijnt ook steeds meer goede non-fictie. Een deel daarvan komt absoluut door mijn werk. Je ziet dat het gesprek over technologie aan het veranderen is.

Laatst had ik een bijeenkomst met de technologieredactie van The Economist. Zij vertelden mij dat ze door mijn werk niet meer zomaar het woord ‘internet’ gebruikten in artikelen. Ze zijn bang dat ik achter ze aan kom op Twitter! Dat zegt wel veel over mijn invloed. Ik ben mij bewust van de macht die ik heb, maar ik denk dat ik die macht ook goed gebruik.’

Cyberutopisten

Dat zijn grote woorden, maar Morozovs invloed valt niet te ontkennen. Die invloed kreeg serieuze vormen in 2011 met zijn boek waarin hij overtuigend het populaire idee dat het internet tot meer vrijheid leidt en revoluties ontketent, wist te ontzenuwen. Morozov liet zien dat veel discussies over digitale technologie worden gedomineerd door "cyberutopisten" die de invloed van technologie schromelijk overschatten. Sterker nog, een nauwkeurige bestudering van de rol van social media tijdens de Arabische Lente toonde volgens Morozov het tegendeel van hun optimisme aan: de regimes in Egypte en Tunesië gebruikten Twitter en Facebook juist om de opstandelingen te monitoren. Na de publicatie van het boek haalde geen weldenkend mens het meer in zijn hoofd de opstanden in de Arabische landen als ‘Facebookrevolutie’ of ‘Twitteropstand’ te betitelen.

Maar zijn echte doorbraak kwam begin dit jaar, met het verschijnen van het fenomenale To Save Everything, Click Here. In dit boek richt Morozov zijn pijlen op een ideologie die zijn oorsprong kent in Silicon Valley en die hij treffend "solutionisme" noemt. 

There’s an app for that!

Solutionisme is het idee dat er voor ieder probleem - hoe complex en gelaagd ook - een technologische oplossing is. Ingewikkelde sociale fenomenen in het domein van politiek, gezondheid of onderwijs zijn volgens de aanhangers van het solutionisme te reduceren tot overzichtelijke problemen met een dito technische oplossing. 

Morozov laat met verve zien dat solutionisme wijdverbreid is: van de Piratenpartij die het democratische tekort op wil lossen met een op Wikipedia gebaseerd organisatiemodel tot politiediensten die met voorspellende computermodellen criminaliteit willen voorkomen, van bedrijven die obesitas willen uitroeien met een app die registreert hoeveel calorieën iemand binnenkrijgt tot onderwijsinstellingen die het lage niveau van studenten willen verhogen door de colleges van hoogleraren online aan te bieden.  

‘Technocraten bewapend met big data hebben het ideaal van geïnformeerde burgers vermorzeld.’ 

Allemaal leuk en aardig, zegt Morozov, maar het gevaar van het reduceren van complexe problemen tot ‘easy to fix’-problemen, is dat het probleem zelf niet meer onder ogen wordt gekomen. Op het moment dat je het hoge verzuim onder studenten op denkt te lossen met internetcolleges, ga je de vraag uit de weg waarom studenten niet op komen dagen. Als je met een app obesitas tegen denkt te gaan, dan hoef je je niet meer bezig te houden met de veel ingewikkelder kwestie dat overgewicht vooral voorkomt bij mensen met een laag opleidingsniveau. 

'Wij leven niet meer in maatschappijen die problemen gewoon laten gebeuren,’ legt Morozov uit. ‘Wij vertrouwen niet meer op onze eigen kracht om om te gaan met tegenslagen en debatteren niet meer over de mogelijke manieren om problemen op te lossen. Nee, onze samenleving wordt gedreven door risico-minimalisatie, door een wens om problemen te voorkomen in plaats van er mee te dealen. Technologische buzzwords als big data en algoritmen worden gezien als de tovermiddelen om grote kwesties als obesitas, misdaad, terrorisme en klimaatverandering voorgoed uit te roeien. Technocraten bewapend met big data hebben het ideaal van geïnformeerde burgers vermorzeld.’

NSA en massasurveillance

Als ik Morozov vertel dat ik met hem wil praten over de onthullingen over de NSA, vraagt hij eerst of ik wel zeker weet dat ík met hém over privacy wil hebben. Goed dan, verzucht hij: 
‘Europese politici stellen als reactie op de Snowden-saga strengere wetten voor die de burger moet beschermen tegen Amerikaanse spionagetechnologieën. Activisten pleiten juist voor voor betere technologieën om ons te beschermen tegen surveillance van de inlichtingendiensten.

Beiden zijn in ontkenning. Ze erkennen niet dat deze vormen van surveillance al lang zijn genormaliseerd en onderdeel uitmaken van de economische en politieke logica die in alle Westerse landen heerst. Wij leven in een tijdperk van informatieconsumentisme, waarbij de neo-liberale marktlogica van alle informatie een verhandelbaar product heeft gemaakt. Wetten noch technologie zullen ons redden van de instanties en bedrijven die bestaan bij de gratie dat iedereen zichzelf monitort en data deelt. En die ervan profiteren dat de hele economische infrastructuur erop gebouwd is om zoveel mogelijk gegevens te verzamelen en diensten gratis weg te geven. Overheden en technologiebedrijven streven allebei hetzelfde na: de verzameling en analyse van onze persoonsgegevens. Massasurveillance moet je in dezelfde lijn zien als een app die je op je smartphone zet om je eigen gezondheid te monitoren.’

‘Je bent een robot, het systeem houdt je in leven en voedt je broccoli, maar dat is de enige functie die je hebt in het systeem’

In een in de Frankfurter Allgemeine Zeitung waarschuw je voor de aanstaande ‘informatie-apocalyps’ die ons staat te wachten. Hoe ziet die er uit? 
‘Het grote gevaar is dat wij straks geen enkele invloed meer kunnen uitoefenen op de manier waarop het maatschappelijk systeem functioneert. We hebben een app die ons vertelt wat we moeten doen maar weten niet hoe die is gegenereerd. We krijgen te horen dat we broccoli moeten eten, oefeningen moeten doen en allemaal andere dingen om een goede burger te zijn, maar hoeven zelf niet meer na te denken en weten niet meer wat het goede is. En omdat we dat niet weten, is er geen enkele reden meer om te participeren in discussies over alternatieven van het goede leven.

Dat betekent de facto dat je als burger dood bent. Je bent er wel, soort van, om te zorgen dat je belastingen worden betaald en je smartphone opgeladen blijft, maar dat is min of meer waar jouw bijdrage aan het systeem ophoudt. Je bent een robot, het systeem houdt je in leven en voedt je broccoli, maar dat is de enige functie die je hebt in het systeem. Dat is volgens mij de toekomst die ons te wachten staat en dat vind ik geen prettig vooruitzicht.’

Dat is nog vrij vaag. Je maakt in het artikel de vergelijking met klimaatverandering: pas sinds we ons concreet konden voorstellen dat ons een klimaatramp kon overkomen, zijn we ons gedrag gaan aanpassen. Dan lijkt het me belangrijk om die informatieramp ook iets concreter te beschrijven. 
‘Ach, voor een echt goede rampbeschrijving moet je bij het nieuwste boek van Dave Eggers zijn, die schrijft daar veel beter over. Ik claim geen monopolie te hebben op dystopieën. Als jij een betere dystopie kun beschrijven dan moet je dat doen - graag zelfs - ik ben blij als iemand anders het dystopische gedeelte voor zijn rekening neemt, zodat ik mij op de analyse kan richten.’ 

Kunnen mensen zelf nog iets doen om de ramp af te wenden? Minder Google gebruiken? Stoppen met Facebook? 
Hij lacht. ‘Laat ze een app installeren genaamd Be less of an information consumer, click here! Wat verwacht je van me? Ik heb een heel boek geschreven waarin ik mij verzet tegen de ideologie die belooft voor ieder complex probleem de oplossing te kennen, en het is een beetje naïef om dan te denken dat ik nu even snel een oplossing kan verzinnen voor zo’n enorm ingewikkeld probleem. 

Mijn technologiekritiek zou bovendien te ver gaan als ik zou zeggen welke technologie goed is en welke slecht. Dat doen mensen die technologie haten en die zeggen dat de derde wereldoorlog uitbreekt als je een tandenborstel gebruikt. Ik kan mensen niet adviseren wat ze wel en wat ze niet moeten doen, ik ben geen astroloog. Lees mijn boek.’  

In datzelfde artikel pleit je voor het ontstaan van nieuwe politieke bewegingen om de aanstaande informatie-apocalyps te voorkomen. Hoe zouden die bewegingen eruit moeten zien?
‘Dat moeten bewegingen zijn die staan voor de waarden van de sociaaldemocratie. Emancipatie en burgers de mogelijkheid bieden om een goed leven te leiden. Ze hoeven, kortom, de wereld niet heruit te vinden, maar ze moeten wel begrijpen dat economische exploitatie niet meer dé bedreiging voor de democratie is. Dat is informatie-exploitatie: de toevoeging van informatie aan ieder aspect van ons leven bedreigt de balans waar iedere sociaaldemocraat voor strijdt.  

Onze vijand is niet langer de excessieve macht van de aggressieve kapitalist die zijn werknemers uitbuit. Nee, de mensen die wij moeten vrezen zijn zij die denken dat zij de burger niet meer nodig hebben om te bepalen wat goed is en belangrijk. Overheidsinstanties die big data gebruiken om het gedrag van hun burgers te sturen en bedrijven die alles wat burgers doen tracken en monitoren.’

Zulke politieke bewegingen bestaan toch al? Neem de Nederlandse digitale burgerrechtenbeweging Bits of Freedom of de Amerikaanse Electronic Frontier Foundation. Zij verzetten zich toch al jaren tegen de verzameldrang van overheidsinstanties en bedrijven?  
‘Nee, nee, nee. Dat is precies waar mijn hele boek over gaat. Wat is in godsnaam de ‘electronic frontier’? En waarom heeft het een foundation nodig om zichzelf te beschermen? ‘Digitaal’ en ‘electronic’ zijn in deze context volstrekt betekenisloos. Ze hadden zin in de jaren negentig, maar geloof me, over vijf jaar is alles elektronisch en digitaal, dus wat verdedigen zij dan? Wat is het verschil tussen Human Rights Watch en de Electronic Frontier Foundation? Is er een verschil tussen burgerrechten online en offline? Ik weiger te accepteren dat er ontologisch iets unieks is aan digitaliteit, met een eigen filosofie, vocabulaire en rechten. Zo werkt het gewoon niet.’

Je zegt dat ‘privacy’ deel moet zijn van de politieke en maatschappelijke discussie. Hoe doe je dat? Hoe breng je zo’n vaag en abstract begrip in de publieke discussie? 
‘Dat is heel simpel. Door uit te leggen dat privacy geen doel op zich is, maar een middel om democratie te bereiken. Privacy is instrumenteel en secundair. Als je dat eenmaal duidelijk hebt gemaakt, moet je er zeker van zijn dat mensen hun recht op privacy niet gaan gebruiken om zich los te weken van de wereld. Het is makkelijk om privacy te beschouwen als een recht waarmee je je terug kan trekken uit de publieke ruimte en daarna alleen nog maar Netflix te kijken en Spotify te luisteren.

‘Het idee dat onze privacy gered is als iedereen controle heeft over zijn eigen data kan gevaarlijk zijn’

Ik beschouw privacy als een manier om toegang te krijgen tot een veilige en private ruimte, waar je kunt reflecteren op de wereld, een mening kunt vormen, kunt bedenken hoe je het systeem anders wilt zien, om vervolgens terug te keren naar het publieke forum en bij te dragen aan de verbetering van het systeem, jouw mening in te brengen en te debatteren. Aan privacy zit wat mij betreft ook altijd die publieke, participatieve kant. 

Er zijn mensen die van privacy een economisch concept willen maken: iedereen krijgt de beschikking over zijn eigen persoonsgegevens en kan die vervolgens verkopen aan bedrijven als Google, in plaats van die, zoals nu, gratis weg te geven. Hier wordt serieus over nagedacht door invloedrijke denktanks en belangrijke auteurs als Jaron Lanier.

Maar dat is echt volslagen nonsens. Het idee dat onze privacy gered is als iedereen controle heeft over zijn eigen data - een idee dat ook populair is onder privacy-activisten - kan zelfs gevaarlijk zijn. Ik kan mij makkelijk een wereld voorstellen waarin iedereen totale controle over zijn data heeft, maar niemand meer iets bijdraagt aan de publieke sfeer.’