De schrijver en reporter Joseph Roth, in 1894 geboren in het stadje Brody in het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk, tegenwoordig Oekraïne, gestorven in Parijs in 1939, noemde zich een ‘hotelmens’. Beter gezegd, hij noemde zich een ‘Hotelbürger’.  

Zoals een patriot van zijn vaderland houdt, zo houdt Roth van het hotel. Waar andere mannen terugkeren naar vrouw en haard, keert hij terug naar kamermeisje en portier, aldus Roth in de Frankfurter Zeitung van 19 januari 1929. Vandaar de hotelburger, de hotelpatriot, samengevat: de hotelmens.

Al van jongs af aan heb ook ik me aangetrokken gevoeld tot het hotel, als centrum van een magische wereld – niet in de laatste plaats erotisch getint – en vanwege een vlucht uit datgene wat mij toen als het meest bedreigende van alles voorkwam: het gezin.
 
Inmiddels breng ik zeker vier maanden per jaar door in hotels, mijn woning in Dublin huur ik gemeubileerd en heeft veel weg van een hotel, en mijn appartement in New York is ingericht door mijn toenmalige vriendin. 

Ik vrees het eigen huis net zozeer als het nationalisme van mijn medeburgers waar dan ook, en als toenmalige vriendinnen weleens begonnen over ‘samen plannetjes maken’ wist ik wat daarmee werd bedoeld: naast het krijgen van een kind samen in een huis wonen, een eigen huis. En vervolgens nam ik, niet zonder moeite, pijn en verdriet, de benen.

Als ‘correspondent hotelmens’ zal ik onderzoeken hoeveel Heimat de mens nodig heeft.

Je zou kunnen beweren dat de hotelpatriot, de hotelmens, op de vlucht is. In Joseph Roths geval kreeg die vlucht in de loop van de jaren dertig een zeer concrete aanleiding: het nazisme, maar mijn vermoeden is dat hij ook zonder het nazisme wel hotelmens was gebleven. Eenieder die de eigen dood nog niet heeft aanvaard – slechts weinigen hebben die onthechte staat van zijn bereikt waarbij men de eigen dood kan begroeten als een goede vriend – is feitelijk op de vlucht. Daarmee wil ik het lot van politieke vluchtelingen, oorlogsvluchtelingen en economische vluchtelingen niet bagatelliseren, ik wil hooguit aangeven dat de meeste menselijke activiteit begrepen kan worden als een vlucht naar voren. Een vrij recent fenomeen als toerisme is bijvoorbeeld vrijwillig vluchten met recht cq hoop op terugkeer.

Als correspondent Hotelmens zal ik onderzoeken hoeveel Heimat de mens nodig heeft. Hoe verbonden moet de mens eigenlijk zijn met het stukje grond waar hij, toevallig en voorlopig, werkt, woont en slaapt? Mijn hypothese luidt dat elke Heimat die niet draagbaar is vroeg of laat een ondraaglijke last zal blijken. 

Ik zal de arbeidsmigrant bestuderen en alle erotiek onderweg – alle ware erotiek vindt wellicht onderweg plaats; het echtelijk bed is gemaakt voor de voortplanting.

Deze bijdrage schreef ik in hotel Splendid-Dollmann in München, waar ik de komende weken zal verblijven. Nu echter roept het Oktoberfest, hier genaamd ‘die Wiesn’. Ik had nooit durven vermoeden dat ik mij in een tent op een weide samen met duizenden anderen zou bezatten met bier, maar de hotelburger observeert niet uitsluitend, hij is ook een discrete assimilant. Hoewel zelfs de gevorderde assimilant waarschijnlijk zal verzuchten: ‘Ik ben blij als de Wiesn weer voorbij is.’