Enkele weken geleden werd mij gevraagd om constructief commentaar te leveren op een consultatiebureau-app in wording. Een ‘tool’ die ouders moet gaan ondersteunen bij het zorgen voor hun jonge kind. Tijdens de demonstratie van het voorlopige resultaat bleek de app, simpel gesteld, een verlengstuk van wat er op het consultatiebureau gebeurt: een batterij hokjes waar je kunt aanvinken wat je kind al kan. Of, negatief gedacht: een instrument waarmee het consultatiebureau je op afstand in de gaten kan houden. Een manier om te kijken of je niet per ongeluk een ‘risico-ouder’ bent.

Wat ik ervan vond, wilden ze weten. Ik vertelde ze dat ik het jammer vond dat het weer zo’n meetinstrument was geworden. Dat ik het veel leuker en nuttiger zou vinden als ze ouders iedere week een kort bericht zouden sturen met informatie over de ontwikkeling die hun kind op dat moment doormaakt en tips om die ontwikkeling te beïnvloeden (voorlezen, spelletjes et cetera). Ik zei dat ik dacht dat de gedemonstreerde app een soort paniekinstrument zou kunnen worden dat ouders permanent het gevoel geeft dat ze het misschien wel fout doen (volgens de app zou mijn kind nu moeten kunnen zitten, maar hij doet het niet – wat nu?).

‘Gewoon’ praten met ouders

‘Waarom focussen jullie zo op die lijstjes?’ vroeg ik de aanwezigen (jeugdartsen en verpleegkundigen van het consultatiebureau). ‘Waarom praten jullie niet wat meer ‘gewoon’ met ouders?’ Ik vertelde ze wat ik had gehoord van Door haar geïnterviewde ouders zeiden spontaan dat ze het zo fijn vonden om gewoon even over de zorg en opvoeding van hun kinderen te praten, zónder het gevoel te hebben dat alles werd vastgelegd in een dossier waarmee er een risicoprofiel van ze werd gemaakt.

Ook vertelde ik ze over de bevindingen van die gevraagd was de opbrengsten te meten van een gestandaardiseerd prenataal ‘screeningsinstrument’ waarmee door verloskundigen in kaart gebracht kon worden of er een kans was op onveilige hechting tussen ouders en kind.

Dit screeningsinstrument, een vragenlijst die werd afgenomen door verloskundigen, bleek weinig relevante informatie op te leveren. Volgens de screeningslijst had bijvoorbeeld geen van de moeders een abortus overwogen. Maar toen met dezelfde ouders een gewoon ‘menselijk’ gesprek werd gevoerd, bleken enkele ouders wel degelijk met die gedachte te hebben gespeeld. Een beetje doorpraten over dit onderwerp gaf daarmee een veel beter beeld van hoe ouders aankeken tegen de komst van hun baby en welke ondersteuning ze nodig hadden.

De jeugdarts die mijn verhaal had aangehoord, reageerde een beetje verbolgen op mijn voorstel om meer gewone gesprekken met ouders te voeren. Ze praatte namelijk wél met ouders. Zo vroeg ze standaard: ‘Hoe ervaart u het ouderschap?’

Oprechte interesse in plaats van formele professionaliteit

Dat deze vraag goed bedoeld is, daar twijfel ik niet aan. Maar ik vrees dat het antwoord in veel gevallen, net als bij de gestandaardiseerde screeningsvragenlijst, vrij loos zal zijn. Ouders zijn heel kwetsbaar als het gaat om hun kinderen. Ze laten niet snel het achterste van hun tong zien als ze zich niet veilig voelen. Het is daarom niet alleen heel belangrijk dat je als arts of andere hulpverlener een oprecht geïnteresseerde en gelijkwaardige toon aanslaat (in plaats van de wat afstandelijk formele toon van vragen als ‘hoe ervaart u het ouderschap?’), maar ook dat je op een goede manier de emotionele gevoeligheden tussen een kind en zijn ouders verwoordt.

Ouders zijn heel kwetsbaar als het gaat om hun kinderen. Ze laten niet snel het achterste van hun tong zien als ze zich niet veilig voelen

psycholoog en auteur van het pas verschenen boek - taal voor ouders en hun jonge kind, illustreert dat heel mooi aan de hand van een voorbeeld uit haar praktijk, waar zij werkt als hechtingstherapeut. Kuipers werd gevraagd een gesprek te voeren met ouders wier kind door Bureau Jeugdzorg uit huis was geplaatst. Het kind woonde al enige tijd bij pleegouders en dat ging goed. Het probleem: de biologische ouders vonden dat het kind wel weer bij hen kon gaan wonen. Dat terwijl Bureau Jeugdzorg dat geen goed idee vond.

Kuipers trof een hele verdrietige vader, een boze moeder en een ietwat ongemakkelijke medewerker van Bureau Jeugdzorg. Ze luisterde naar het verhaal van de ouders en probeerde onder woorden te brengen wat de ouders doormaakten. ‘Jullie houden heel erg van jullie kind en willen heel graag voor haar zorgen en toch loopt het iedere keer fout. Dat moet heel zwaar zijn voor jullie en voor jullie dochter.’

De vader begon te huilen. Kuipers bleef begrip tonen voor de gevoelens van de ouders, ondanks het feit dat de moeder boos bleef. Toen begon de vrouw van Bureau Jeugdzorg opeens ook te huilen. En dat was het moment dat ook de moeder brak. Zij had nog nooit gemerkt dat iemand van Bureau Jeugdzorg zich oprecht om haar kind of om haar als ouder had bekommerd. Maar doordat Kuipers de gevoeligheden van alle partijen zo scherp en met zoveel begrip onder woorden wist te brengen, verdween de kou – deels veroorzaakt door de ‘professionele afstandelijkheid’ van Bureau Jeugdzorg - uit de lucht en kon er weer redelijk gepraat worden over de toekomst van het kind.

‘Woorden van het hart’

In haar noemt Kuipers die taal waarmee je mensen weer kunt verbinden ‘de woorden van het hart.’ Dat klinkt voor sommigen misschien heel soft en zweverig, maar bekijk je de filmpjes die Kuipers bij haar boekpresentatie vertoonde en lees je de praktijkvoorbeelden in haar boek, dan zie je dat het werkt. Prachtig vond ik bijvoorbeeld het filmpje van de Franse kinderarts die het in tien minuten voor elkaar krijgt dat een pas bevallen moeder haar baby, met wie ze niet veel opheeft, toch ‘accepteert’:

‘Ah, bonjour monsieur Wesley,’ zegt de arts tegen de één dag oude baby die een beetje onhandig over de benen van zijn moeder gedrapeerd ligt. ‘Doe je je ogen open? We zijn hier bij je.´ De moeder maakt geen contact met haar zoontje en staart een beetje wezenloos voor zich uit. Ze heeft een rotbevalling achter de rug en had eigenlijk gehoopt op een meisje – een zoontje had ze al. De dokter ziet haar onverschilligheid en stelt voor om een nieuwe start te maken.

Hij kletst nog even vriendelijk door tegen Wesley en vraagt de moeder over de bevalling. Ook wil hij weten wanneer ze voor het eerst hoorde dat het een jongen was, en wat dat met haar deed. Als ze vertelt dat in twintig minuten tijd – tijdens een prenatale echo – haar wereld instortte, zegt de arts: ‘Sommige moeders zeggen: het is alsof je een dochtertje verliest.’ Hij toont begrip voor de teleurstelling die ze te boven moet komen en zegt dat ze Wesley nu moet gaan opnemen. ‘Dat doe ik toch,’ zegt de moeder, en ze pakt de hand van haar baby.

Dan richt de arts zich tot Wesley: ‘Wat een prachtmoeder.’ Hij legt de baby in zijn moeders armen en zegt: ‘Wat een schitterend liefdesverhaal hebben jullie samen beleefd.’ En dan begint de moeder vriendelijk te praten tegen haar kind.

Een kans voor consultatiebureaus

Volgens Paulien Kuipers kunnen dit soort kleine gesprekken, waarbij de ouder en het kind oprecht gezien worden en hun gevoelens worden uitgesproken (óók die van de baby), ervoor zorgen dat het hechtingsproces tussen een ouder en een kind op een gunstige manier kan verlopen. ´Door woorden te geven aan de gevoelens van alle partijen, haal je de splinter eruit en kan de liefde weer stromen,’ aldus Kuipers.

Dat dit op een goede manier gebeurt is van wezenlijk belang: veilig gehechte kinderen (60 tot 70 procent van de bevolking) hebben namelijk veel minder kans op allerlei problemen op latere leeftijd dan de minder veilig gehechte kinderen (30 tot 40 procent van de bevolking).

Hier ligt denk ik een kans voor de consultatiebureaus. ‘Een sensitieve en afgestemde reactie van een professional kan een ontregelde ouder echt helpen om op de juiste sensitieve en afgestemde manier te reageren op de baby,’ schrijft hechtingsdeskundige professor Hedwig van Bakel in het voorwoord van het boek van Kuipers. ‘Het lijkt zo ontzettend eenvoudig. Toch is deze kennis alleen niet voldoende en hebben deze professionals adviezen en handvatten nodig over de wijze waarop dit kan worden aangepakt.’ Het boek van Kuipers is daarvoor een geweldig hulpmiddel.

Lees verder:

Lodewijk Asscher wil de babyopvang verbeteren. Deze onderzoeken geven hem gelijk Minister Lodewijk Asscher (PvdA, Sociale Zaken) wil de babyopvang drastisch verbeteren. Keerzijde van dit plan is dat de kinderopvangondernemers hiervoor een heel hoge prijs moeten betalen. Dus wie wordt er straks geofferd? Het kind of de ondernemer? Lees het stuk hier Consultatiebureaus maken te weinig werk van de ouder-kindrelatie (behalve in Limburg) Zo’n 30 tot 40 procent van de Nederlandse kinderen tussen één en twaalf jaar is niet veilig aan zijn ouders gehecht. De vele problemen (en kosten) die dit met zich meebrengt, zouden vermeden kunnen worden als consultatiebureaus zich meer bezighouden met de relatie die jonge ouders opbouwen met hun baby. In Limburg zijn ze alvast begonnen. Lees het stuk hier