Een Syrisch gezin in hun tent in Harmanli. Foto: Maite Vermeulen

Haar tent staat in de uiterste hoek van het kamp. Ze slentert erheen, handen gevouwen voor haar borst. Af en toe wijst ze iets aan. Daar hebben kinderen een schommel gemaakt. Daar kappen we brandhout uit de bomen. Daar staan een paar containers, waar Syriërs in wonen. ‘Die noemen wij "het witte huis" - veel luxer dan onze tenten.’

Malalai is 25, en komt uit Afghanistan. Samen met haar vader, moeder en vijf broers en zussen zit ze nu tien dagen in dit kamp in  Lees hier ons verhaal over de nieuwe migratiestroom naar Bulgarije Harmanli, Bulgarije. De Bulgaarse overheid noemt dit een "ontvangst centrum" voor asielzoekers. Malalai noemt het een gevangenis.  

Twee maanden geleden besloot de familie te vluchten naar Europa. Haar vader werkte voor de Verenigde Naties als mijnenruimer: Malalai haalt een envelop tevoorschijn met A4-tjes vol foto’s van haar vader, in de woestijn, naast witte VN-wagens. ‘Hij werd steeds vaker bedreigd door de Taliban, omdat hij samenwerkte met de Amerikanen.’ Toen die ook nog eens eisten dat Malalai met een Taliban-officier zou trouwen, besloot het gezin te vluchten. 

Eerst met het vliegtuig naar Iran, toen achterin een truck naar de Turkse grens, voor 700 dollar de man. Lopend Turkije in, en daar met een auto naar Istanbul. Drie dagen wachten, en toen met een auto, voor 600 dollar per persoon naar de grens van Turkije en Bulgarije. Het laatste stuk moesten ze weer lopen. Zo’n vier uur door de bossen. 

Toen ze eenmaal de Bulgaarse politiepost in Elhovo bereikten, werd het gezin vastgezet. ‘In dat eerste kamp moesten drie, vier mensen een bed delen,’ zegt Malalai. ‘De hele nacht hoorde je oude vrouwen en kinderen huilen.’ Iedere dag werden de migranten in het kamp geteld. ‘Als we iets te laat in de rij stonden, gebruikten de agenten hun taser.’

Toen ze aankwamen in Harmanli weigerde het gezin de bus uit te gaan. ‘We zagen hoe verschrikkelijk het hier was, we hadden nog nooit zoiets gezien. De politie sloeg ons, maar nog gingen we de bus niet uit. Toen lieten ze de honden op ons los, en zijn we de bus uitgerend.’ Sindsdien zitten de ijzeren poorten gesloten. 

In Afghanistan had Malalai een goed leven. Ze studeerde communicatiewetenschappen aan de universiteit, werkte als Engelse tolk voor UNESCO en speelde in het nationale vrouwenvolleybalteam. Nogal vooruitstrevend voor een meisje in Afghanistan. ‘Niet alleen de Taliban, ook onze eigen familie bedreigde ons. Ze vonden dat ik een hoofddoek moest dragen, dat ik niet moest sporten, dat ik niet moest studeren. Maar toch heb ik al die dingen bereikt, ik heb zoveel obstakels overwonnen.’ Ze kijkt naar het afval tussen de rijen tenten. ‘En nu zit ik hier.’

Slapen per tourbeurt

Afgezien van een paar witte broden wordt er in het kamp geen eten uitgedeeld door de Bulgaarse autoriteiten. De asielzoekers zijn dus aangewezen op de de kleine "winkeliers" in het kamp: Syriërs die voor een paar sigaretten de bewakers omkopen om naar de supermarkt te gaan. ‘Ze verkopen de spullen hier voor de dubbele prijs,’ zegt Malalai, terwijl ze wijst op de stretchers met spullen die in het kamp staan uitgestald. Cola, crackers, lolly’s, zonnebrillen. 

Malalai’s jongste broertje is aan één kant verlamd, maar medische hulp is er niet in het kamp. Eten is er nauwelijks, en de zes toiletten, die gedeeld worden door de 1100 migranten, zijn zo smerig dat ze liever ’s nachts in het donker aan de randen van het kamp poept.  

Het gezin slaapt per tourbeurt, drie uur per nacht, uit angst voor de gevechten die constant uitbreken. Om een beetje brood bijvoorbeeld, of omdat een Afghaanse jongen te lang naar een Syrisch meisje heeft gekeken. ‘We roepen de politie dan te hulp’, zegt ze. ‘Maar die trekken het hek achter zich dicht en zeggen: zoek het maar uit.’ 

‘We weten niet hoe lang we hier nog moeten blijven, en niemand lijkt verantwoordelijk in dit kamp. Als we politiemannen aanspreken jagen ze ons weg. Ik ben geen analfabeet, ik weet wat mijn rechten zijn.’

Malalai denkt dat zij en haar familie een grote fout hebben gemaakt door naar Bulgarije te komen. ‘Ik kreeg laatst mijn telefoon niet aan de praat, en wilde een politieman om hulp vragen,’ zegt ze. ‘Hij trok handschoenen aan om mijn telefoon aan te pakken. Ze denken dat we vies zijn, dat we ziektes hebben. Dat doet me zoveel pijn.’ 

Ze wijst op de kinderen, die tussen de herfstbladeren een schommel hebben gemaakt aan een grote boom. ‘Misschien is het voor hen gemakkelijker. Ik ben wel in leven, maar ik leef niet echt meer.’