Renu Modi heeft het compleet zien omslaan: het internationale discours over Afrika. Waar er twintig jaar geleden op grote toppen nog werd gepraat over het verloren continent vol schulden en corruptie, puilen de boekenkasten van de Verenigde Naties nu uit van de rapporten met titels als Africa Rising en Rise of the South. Het is inmiddels een bekend riedeltje: Afrika is in opkomst - en niet het Westen maar China plukt er de vruchten van. 

Waar minder aandacht voor is, is de rol van India op het Afrikaanse continent. En daar heeft de Indiase Afrika-specialiste Renu Modi veel naar gedaan. Modi geeft les aan de Universiteit van Mumbai, en was voorheen hoofd van het Afrika Studie Centrum. Onlangs was ze in Nederland voor een lezing voor de en beschikbaar voor een gesprek.  
 
Wat is volgens u de grootste misvatting over de ‘nieuwe donors’ zoals China en India in Afrika?
‘Precies dat woord: donors. Door dat woord lijkt het alsof deze landen, net als het Westen, hulp geven aan Afrika. Maar dat is niet zo - niet in de traditionele zin van het woord. Er worden handelsrelaties aangegaan en investeringen gedaan, zonder dat daarbij voorwaarden worden gesteld over goed bestuur of mensenrechten. 

‘In het geval van India komt dit vooral door de eigen ervaring met hulp. Toen we in 1966 in India een hongersnood hadden, boden de Verenigde Staten voedselhulp, op voorwaarde dat wij de kant van de VS zouden kiezen in Vietnam. Dat was een wake-up call: sindsdien wil India niets meer met voorwaarden voor hulp te maken hebben. 

‘Bovendien hebben de nieuwe spelers het voordeel van terugblikken: ze hebben al gezien dat de aanpak van het Westen niet gewerkt heeft. En: het electoraat in India wil dat de overheid haar geld besteedt aan armoedebestrijding in eigen land, niet in Afrika. Dat is nóg een reden voor de regering om geen hulp te geven, maar te handelen. Er moet een direct voordeel voor India zijn, voor filantropie heeft het land geen budget. Ik gebruik dus liever de term “nieuwe partners” als het gaat om China, India en Brazilië in Afrika.’  

Is er een verschil in aanpak tussen China en India in Afrika?
‘Ja, natuurlijk. De waar jullie het in het Westen vaak over hebben, zijn niet een coherente groep opkomende economiën. De term is ook niet door henzelf bedacht, maar door zakenbank Goldman Sachs. China en India hebben bijvoorbeeld constant grensconflicten, laat staan dat ze het eens kunnen worden over een strategie voor de ontwikkeling van Afrika.’  

‘Er wordt in India nooit gesproken van competitie met China. India weet dat China heel diepe zakken heeft, en dat wij qua budget niet kunnen concurreren. We hebben de laatste jaren al zoveel oliedeals verloren aan de Chinezen, we kunnen gewoon niet opboksen tegen het geld dat de Chinezen hebben. Maar waar China het financiële voordeel heeft, heeft India andere voordelen: een gedeelde koloniale geschiedenis bijvoorbeeld, een gedeelde taal, en een grote India heeft dus meer soft power in Afrika, en focust meer op technologiën die Afrika nodig heeft. Op de landbouw bijvoorbeeld, door tractors en pompen te verkopen. Of in de gezondheidszorg, met generieke, goedkope medicijnen.’ 

‘Dat je over India veel minder hoort in het Westen, komt door de schaal van de handel. De handel van China met Afrika is drie keer zo groot als de Het Westen is overigens nog steeds verreweg de van het continent.’

Uw “nieuwe partners” worden door anderen kritisch de “nieuwe kolonialisten” genoemd. Wat vindt u daarvan?

‘Allereerst is India niet uit op dominantie, maar op strategisch handelen. Het probleem met de term “nieuwe kolonialisten” is vooral dat gedaan wordt alsof Afrikaanse landen zelf geen actoren zijn. Alsof Afrikaanse landen passieve partners zijn.’

Ze laten niet meer over zich heenlopen bedoelt u?
‘Precies. Ethiopië heeft bijvoorbeeld kortgeleden land teruggevorderd dat verkocht was aan India, omdat India het land niet gebruikte zoals was vastgelegd in het contract. En in Zambia zijn Chinese mijnbedrijven door de regering gewaarschuwd om meer aandacht te besteden aan arbeidsomstandigheden, na een groot ongeluk. Het zijn een paar voorbeelden die tonen dat Afrikaanse landen zelf ook een actieve rol spelen. Ze zijn niet meer onderdanig naar het Westen, en ook niet naar andere partners.

‘Bovendien gaan Afrikaanse landen steeds meer voor zichzelf zorgen. Equatoriaal Guinea en Angola hebben bijvoorbeeld allebei enkele tientallen miljoenen dollars in het Africa Solidarity Trust Fund gestopt. Dat fonds wordt gebruikt om de voedselzekerheid in Afrika te vergroten. Zoiets was tien jaar geleden ondenkbaar geweest. Een Swahili spreekwoord zegt: ‘Totdat leeuwen leren schrijven, zullen jagers hun verhalen schrijven.’ Nu leren de leeuwen schrijven, en kunnen ze dus hun eigen geschiedenis gaan schrijven.  

‘Op dat sentiment speelt India ook weer slim in. We steunen Afrikaanse landen op het internationale toneel, om hun onfhankelijkheid te benadrukken. Onze minister van Buitenlandse Zaken zei onlangs bijvoorbeeld: ‘Als 75 procent van de hulp naar Afrika gaat, als al onze ontwikkelingsdoelen op Afrika gestoeld zijn, waarom zitten er dan geen Afrikaanse landen in de VN Veiligheidsraad?’'

Maar feit blijft dat de bevolking van veel Afrikaanse landen nog weinig profiteert van de economische groei die de nieuwe partners stimuleren.
‘Klopt, maar dat ligt aan corrupte overheden. Als de overheid corrupt is, maakt het niks uit wie de partner is, dan komt het geld nooit goed terecht. Of het nu verdiend wordt met handel of gegeven wordt als hulp.’