Weet je waar je echt lekker van gaat poepen? Zwarte koffie en een jointje in de ochtend. Zo hoor ik althans iemand roepen in de Amsterdamse Melkweg. Ik ben er voor een rapper die straks komt optreden, maar dat vergeet ik op slag wanneer mijn oog valt op een dreadlock die drijft in een glas sinas. Koolzuurbelletjes hebben zich om de streng heen gevormd en schieten af en toe omhoog, het glas uit. Fascinerend.
 
De dread in de sinas is bruin en groeit uit het hoofd van een vrouw die twee mannen staat te vertellen waar je echt lekker van gaat poepen. Ze lacht daarbij overdreven en zwiept haar hoofd in haar nek, waarna één dikke dread blijft hangen in haar drinken. De mannen waarmee ze praat wijzen haar erop. Ze lacht, laat de dread hangen waar hij hangt. Ze is zo stoned dat het eruit ziet alsof haar ogen van binnenuit haar hoofd in worden gezogen. Ze praat zo hard dat mensen om haar heen af en toe verschrikt omkijken.
 
De mannen horen haar aan en knikken, ze geven hun joint nog eens door. Vanavond is er een wietfestival in de Melkweg en voor de gelegenheid mag er binnen gerookt worden. Alles, behalve tabak. Af en toe komt er iemand het podium op die handenvol joints het publiek in gooit. Er wordt opvallend weinig bier gedronken. Wel veel sinas.

Af en toe komt er iemand het podium op die handenvol joints het publiek in gooit. Er wordt opvallend weinig bier gedronken. Wel veel sinas.

De vrouw met de natte dread vindt alles prachtig. Ze wijst naar een stel dat een joint deelt en elkaar innig omhelst. Ze oreert. ‘Iedereen zeurt van: blowen is slecht, maar eigenlijk komt er alleen maar liefde van, dát is wiet.’ Dan knikt ze met haar hoofd richting twee jongens die op een trap zitten te huilen van het lachen. ‘En ook dát is wiet!’ Ze pakt de hand van een van de mannen met de baseballjacks. ‘Zonder wiet had ik jullie hier vanavond niet leren kennen. Dat is toch mooi man.’
 
Het concert begint bijna en ik schuifel richting het podium. Het duurt even voor ik in de gaten heb dat ik op de hand van een meisje ben gaan staan. Ze scharrelt op haar knieën over de vloer. In haar vuist houdt ze een paar stompjes joint vast. Haar shirt is stuk, haar ogen zijn rood. Ze kijkt kwaad omhoog, vraagt me of ik blind ben ofzo. Dan ziet ze in haar ooghoek een vertrapte joint liggen en schiet ze voor me langs om het van de vieze grond te rapen. Ik vraag me af of de vrouw met de natte dread dit ook gezien heeft.