De stelling is terug van weggeweest: de mensenrechten zijn een westerse uitvinding. Maandag 9 december stond in de Volkskrant een groot interview met Marie-Bénédicte Dembours, rechtsgeleerde uit Brighton, die de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens verwijst naar de schroothoop van mislukte politieke projecten: aardig geprobeerd maar jammerlijk mislukt. Door de opstellers van de mensenrechten, zo stelt zij, werd geen rekening gehouden met ‘het kolonialisme en imperialisme van de westerse mogendheden.’ Zij voegt zich nadrukkelijk bij progressieve activisten die vinden dat culturele variatie, de onderkenning van grote verschillen tussen westerse en niet-westerse samenlevingen, onvoldoende is onderkend.

De mensenrechten als vorm van neokolonialisme. Dat argument heeft, sinds de grote activistische bewegingen aan het einde van de jaren tachtig uiteenvielen, aan kracht ingeboet. In de jaren negentig herleefde het door Frits Bolkestein en andere conservatieven die, met een spiegelbeeldige redenering, de mensenrechten juist verdedigden als westers erfgoed tegenover de barbaren uit het oosten en het zuiden. Hun queeste was het vermaledijde cultuurrelativisme, het idee dat culturen gelijkwaardig zouden zijn en de mensenrechten hun belangrijkste trofee van westerse superioriteit. Mensenrechten in de ogen van Bolkestein c.s. was met andere woorden een geëigende vorm van imperialisme.
Beide stellingnamen lijken de laatste tijd aan populariteit te winnen. Aan de kant van progressieve activisten, onder invloed van een oplaaiend racismedebat, wordt het zogenoemde ‘western savior complex’ - de neiging om westerse opvattingen van goed en fout als maatgevend aan de rest van de wereld op te leggen – betwist. En gemakshalve worden de Verenigde Naties dan ook tot het westen gerekend.

Daar tegenover staat een bonte mengeling van nette conservatieven, via Wilders tot internetschreeuwers die vindt dat het genoeg is met de internationale bemoeienis want het wordt toch nooit iets in Verweggistan.

Progressieve en conservatieve activisten vinden elkaar, zij het met tegengestelde motieven, in de relativering van mensenrechtenuniversalisme

Zoals wel vaker bij uiterste stellingnamen, vloeien ook deze in elkaar over. Progressieve en conservatieve activisten vinden elkaar, zij het met tegengestelde motieven, in de relativering van mensenrechtenuniversalisme. Voor de eerste doet het de specifieke noden en behoeften in niet-westerse samenlevingen tekort, voor de tweede zijn die samenlevingen er simpelweg niet aan toe. 

Mensenrechten als westers project: het is een hardnekkig misverstand. Geschreven in 1948 door een commissie onder leiding van Eleonor Roosevelt, in een poging om greep te krijgen op de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog en de gruwelijkheid van de holocaust, was de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vanaf het begin een wereldwijd project. Niet Amerikaanse en Europese juristen waren de bedenkers ervan, de belangrijkste schrijvers waren afkomstig uit Pakistan, Panama, India en Libanon. Elke lidstaat van de Verenigde Naties had zeggenschap, waardoor de Latijns Amerikaanse staten sociale en economische rechten konden toevoegen, de USSR een verbod op raciale discriminatie (sic!) en de Filippijnen gelijke rechten voor voormalige koloniën introduceerden. 

Het is niet alleen een hardnekkig maar vooral een kwalijk misverstand. De mensenrechten waren en zijn kwetsbaar. Zij zijn speelbal van misdadig bewind en tirannie en lijden onder het onvermogen en de gebrekkige bereidheid van de internationale gemeenschap om ze te verdedigen. Toch zijn ze voor opstandelingen in Iran, dissidenten in China of politieke gevangenen in Rusland dikwijls hun enige houvast. Relativering ervan tot een westers politiek project, of het nou door progressieven of conservatieven is, ontneemt strijders en slachtoffers nu juist dat bezit.