Met een beetje venijn kun je Cathing Fire, het tweede deel in de verfilmde sci-fi-trilogie The Hunger Games een draak noemen. Evenals het vorige deel is de film net iets te glad, net iets te oppervlakkig en net iets te onstuimig geschoten om een volwassen publiek volledig te bekoren. Hoewel het de misselijkmakend zoete keukenmeidenromantiek ontbeert van soortgenoot  grossiert het tweede deel in een soms tenenkrommend sentimentalisme.

Toch gaat er van de films een vreemde aantrekkingskracht uit. Waar Twilight me op een haar na de zaal uitjoeg met kitsch en zijigheid, hielden beide delen van The Hunger Games me aangenaam in de greep. Waar ’m dat in zit is niet zo makkelijk aan te wijzen. Maar het heeft veel te maken met de vrouwelijke held. 

Deel één, geregisseerd door dat uitkwam in 2012, was een enorme bioscoophit, maar de pers was verre van onverdeeld positief. Nederlandse kranten prezen nog de intelligentie van de media-kritische aspecten van het verhaal, maar in de VS – waar de gelijknamige tienerboekenreeks van Suzanne Collins veel meer gelezen wordt dan in Nederland – overheerste de klacht dat het boek beter was.

Desondanks verschenen er talloze analyses van het succes van de serie. Sommigen zagen er vooral een dystopische visie op de entertainmentcultuur in; anderen een donkere parabel over het middelbare schoolleven. In bijna alle kritieken echter, werd gewezen op het ongebruikelijke, subversieve karakter van de hoofdpersoon. 

Verdorven spektakel

Deze Katniss Everdeen volgen we in het eerste deel de dodelijke arena in van de jaarlijkse Hunger Games, een fascistisch tv-spel, waarbij jonge kandidaten elkaar moeten bevechten tot er nog maar één overlever is. De spelen zijn het voornaamste propagandamiddel van de totalitaire staat Panem, een post-apocalyptische versie van de Verenigde Staten.

Wanneer het kleine zusje van Katniss wordt ingeloot als kandidaat voor hun straatarme district, neemt Katniss vrijwillig haar plaats in. Samen met de andere ‘uitverkorene’, de bakkersjongen Peeta wordt ze per trein afgevoerd naar de rijke hoofdstad, om in een kleurige stortvloed van glamour en decadentie klaargestoomd te worden voor het verdorven spektakel. 

De getraumatiseerde Katniss begint onder het gedemoraliseerde volk steeds meer symbool te worden voor rebellie

Zowel Peeta als Katniss overleven de Hunger Games en keren terug in het tweede deel (regie Francis Lawrence). Meteen wordt daarin duidelijk hoezeer de roem na de overwinning hun eenvoudige levens getransformeerd heeft. Overal waar ze gaan worden ze gevolgd door camera’s, die vooral hongerig inzoomen op hun ambigue liefdesrelatie. De getraumatiseerde Katniss, die tijdens de spelen al blijk gaf van een autoriteitsprobleem, begint onder het gedemoraliseerde volk steeds meer symbool te worden voor rebellie. In een poging haar onschadelijk te maken verandert het regime de regels van de Hunger Games, zodat Katniss en Peeta gedwongen zijn opnieuw de arena te betreden. 

Orwell voor tieners

De alomtegenwoordigheid van de camera in Panem, het broeiende verzet, de gemuteerde entertainmentcultuur in de hoofdstad waar de mensen zich als onnatuurlijk gekleurde hovelingen van Versailles volstouwen met voedsel en vermaak: haast alles in The Hunger Games is voer voor analisten en critici. Orwelliaanse, actuele thema’s zijn het, jubelde de Volkskrant over het eerste deel, ‘aantrekkelijk verpakt voor tieners.’ 

Inderdaad, de staat Panem reflecteert een al even naargeestige toekomst als het werk van Orwell. Een toekomst, in dit geval, waarin tv-vermaak een kwestie is geworden van leven en dood, waarin je nergens veilig bent voor het oog van de lens en waarin de scheidslijnen tussen het reële en het virtuele, het private en het publieke haast geheel vervaagd zijn. Maar dit is geloof ik niet wat The Hunger Games intrigerend maakt. 

De dystopische setting lijkt te functioneren als uitvergrote weergave van de belevingswereld van veel tieners

Dystopische fictie heeft iets achterhaalds, stelde de Amerikaanse schrijver Nathaniel Rich onlangs in een essay in  ’Romanciers hebben de taak om wezenlijke vragen te stellen: wat heeft al dat slechte nieuws voor effect op de manier waarop we met onze dierbaren omgaan, op onze toekomstverwachtingen, op de manier waarop we in het leven staan? (...) Wat is de invloed van al deze informatie op onze manier van denken? En op onze ziel?’

Schrijfster Collins stelt zulke vragen in The Hunger Games. De dystopische setting lijkt dan ook niet zozeer te functioneren als belerend maatschappelijk doemscenario, maar meer als uitvergrote weergave van de belevingswereld van veel tieners.   

Beklemmende adolescentie

Laura Miller verwoordde het mooi in The New Yorker; volgens haar zouden we de spelen moeten beschouwen als ‘a fever-dream allegory of the adolecent social experience.’ Het begint al wanneer Katniss en Peeta aankomen in de hoofdstad en geconfronteerd worden met de stedelingen en hun vergaande obsessie met uiterlijk. De twee krijgen een hysterisch gillende mediamanager toegewezen en een stylist (Lenny Kravitz), die Katniss uitdost in een vlammende jurk, waarover iedereen zo bloedserieus doet, dat het wel duidelijk is dat kleding je hier letterlijk kan maken of breken. In wat aandoet als een akelige kruising tussen een Oscaruitreiking en het begin van een gladiatorengevecht worden de ‘tributes’ in strijdwagens een overvol, juichend stadion rondgereden. Zij die gaan sterven groeten u. 

Als het spel een paar dagen later begint en de kandidaten het regenwoud betreden dat als arena dient, is van de glamour niets over en wordt de koorts voelbaarder: de constante surveillance, de kliekjesvorming, de eenzaamheid en – het belangrijkste – de torenhoge inzet van de strijd. Wat er buiten ligt, doet niet meer ter zake; wie het hier niet overleeft, overleeft het nergens. Je hoeft niet ver te zoeken om hierin het tunnelachtige tieneruniversum te herkennen, waarin relativeren geen optie is. Die laboratoriumopstelling wekt op momenten precies de benauwdheid op die kan horen bij die – misschien wel – meest intense levensfase. 

Je hoeft niet ver te zoeken om hierin het tieneruniversum te herkennen, waarin relativeren geen optie is

Dat doet het boek beter dan de film, als we de Amerikaanse kritiek mogen geloven, maar het scherm heeft op z’n minst één gigantisch voordeel: Jennifer Lawrence. De beklemmende adolescente ervaring die The Hunger Games oproept, vindt een tegenkracht in het ijzersterke personage Katniss. Steeds belichaamt zij uitwegen uit de heersende paradigma’s. 

Al vanaf het begin van deel één, waarin we Katniss door een gat in een hoogspanningshek zien klimmen om op verboden grond op herten te jagen, is duidelijk dat ze het met regels niet nauw neemt. Daarin is ze overigens gedoseerd opportunistisch – ze speelt zonder zeuren en met verve de toneelstukjes die van haar verwacht worden – en hoewel ze integer is en goedhartig vervalt ze nergens in eenduidig moralisme. Haar opstelling ten aanzien van de twee loverboys in haar leven is even krachtig. Waar Bella uit Twilight zich als een zuchtende lappenpop laat rondslingeren tussen haar gevoelens voor twee verschillende sprookjesmannen (een harige en een gladde), lijkt Katniss zich door geen van haar aanbidders echt uit het lood te laten slaan.  

Lawrence zelf

Katniss bewaakt een kalme autonomie die contrasteert met de uitgesproken kernloosheid van het circus om haar heen. Datzelfde zou je kunnen zeggen van de jonge, Oscar-winnende actrice Jennifer Lawrence, die zich, tot nog toe zonder koket te zijn, in niets – figuur, kapsel, uitspraken – conformeert aan Hollywoodnormen. ‘I’d rather look chubby on screen and like a person in real life,’ zei ze tegen Marie Claire. Voor haar rol in The Hunger Games lijkt er weinig acteren aan te pas te komen, ze is het enige volledig natuurlijk aanvoelende element in de film. 

Katniss, zoals Collins haar schreef en Lawrence haar vermenselijkt is een zeldzaam rolmodel. Duurzamer, helaas, dan de rammelende filmserie zelf, die hoogstwaarschijnlijk geen klassieker zal worden. 

 

YouTube
De officiële trailer van The Hunger Games: Catching Fire