Lang heb ik ernaar verlangd onafhankelijk te zijn. Dat heeft te maken met mijn opvoeding. Alles was erop gericht om me afhankelijk te houden. Mijn ouders, mijn familie en mijn cultuur hamerden er continu op dat ik als individu niks in de melk te brokkelen had. Dat ging vrij ver. Ik kan me niet herinneren dat er ooit iemand naar mijn mening vroeg. Of dat mij gevraagd werd zelf iets te ondernemen. Of dat mij überhaupt iets gevraagd werd.

De opvoeding kwam in de vorm van strenge bevelen, ijzige stiltes en totale onverschilligheid. Het was een beetje zoals het moet zijn om in een dictatoriale staat op te groeien. Toch had ik het er ook heel fijn. Omdat niemand iets van mijn individualiteit verwachtte, hoefde ik me nergens echt verantwoordelijk voor te voelen. Met de jaren groeide het verlangen naar onafhankelijkheid.

Ik vond de ideale vorm van onafhankelijkheid in de helden van Hollywoodfilms. Einzelgängers in weerwil van wat de samenleving van hen verlangt, hun eigenwijze verantwoordelijkheid nemen om redding te brengen. Indiana Jones. Jezus-figuren met een nerdbril op. Helden tegen wil en dank. Later leerde ik dat zulke helden op geen enkele manier lijken op mensen van vlees en bloed, maar dat deerde me niet. Ik wilde als zij zijn. Mijn familie met haar knellende banden naar de achtergrond verdringen om autonomie te vinden.

Het verlangen naar onafhankelijkheid groeide en groeide. De tijdsgeest was er ook naar. Onze geschiedenisleraar vertelde dat de belangrijkste geschiedenisles uit ons leven die ochtend op de televisie was uitgezonden. ‘De Berlijnse Muur is gevallen,’ zei hij. Het einde van de geschiedenis was aangebroken, de vrijheid zou gaan beginnen aan een zegetocht. Ik groeide op met happy house. Don’t worry, be happy. Een paars kabinet waarin het niet draaide om ideologie of religie, maar om individuele vrijheid en meer rechten voor de burger. Mensen met een kleurtje baadden in het licht van de onschuld; ze leken op die oude arbeiderskinderen, was de algemene opinie, binnen een generatie zouden ze volledig geseculariseerd en geïndividualiseerd zijn. Het was onmogelijk om je niet onderdeel van een plan de campagne te voelen.

De beloning voor de onafhankelijkheid was dat je wel werd gehoord, gezien, gerespecteerd

Omdat ik in mijn directe omgeving niet werd gestimuleerd om onafhankelijk te zijn en ook geen redelijke voorbeelden had, dacht ik dat onafhankelijkheid betekende dat je egoïstisch moest zijn. Ik had een grote bek en een kort lontje, ik was snel op de kast te krijgen en geborneerd. Wat was ik ongeduldig!

Ik cultiveerde het gevoel van zelfbehoud door me af te sluiten voor de mensen in mijn omgeving. Ik keek neer op mijn familie, de gewoontes en omgangsvormen, de gebaren en de routines. Het stond me allemaal ontzettend tegen. Het had niets te maken met die westerse, geïndividualiseerde, licht anarchistische autonomie die ik zocht. De beloning voor de onafhankelijkheid was dat je wel werd gehoord, dat je wel werd gezien, dat je wel werd gerespecteerd om wie je bent. Dat vooruitzicht gaf mijn vrijheidsdrang vleugels.

Ondertussen bleef ik Hollywoodfilms kijken, las ik Camus en Kafka. Vooral De gedaanteverwisseling van de Praagse auteur maakte diepe indruk op me. Het leek over mij te gaan, mijn relatie met mijn familie en de spanning die ontstaat wanneer je met traditionele waarden temidden van de moderniteit opgroeit. Ik verslond het boek. De hoofdpersoon Gregor Samsa wordt op een ochtend wakker als een gigantisch insect, die verandering kantelt zijn verhouding met zijn familie. Hij wil opstaan, maar kan dat niet. Hij wil gaan werken, maar kan dat niet. Zijn inertie maakt hem voor de familie tot ongedierte.

Ik las mijn eigen nachtmerrie. Mijn zucht naar onafhankelijkheid maakte me voor mijn familie tot een vreemd wezen. De mensen die me hadden gemaakt keken vertwijfeld en misprijzend naar me alsof ik ongedierte was. Ik wist niet dat het zo was, bij Kafka begreep ik dat het zo was. Het loopt niet goed af met Gregor Samsa in De gedaanteverwisseling. Het boek is een waarschuwing en troost voor een ieder die zijn onafhankelijkheid zoekt. Wie je wil zijn staat in schril contrast tot wat je directe omgeving wil dat je bent. Kinderen die worden gepest, meisjes die willen voldoen aan een onmogelijk schoonheidsideaal, jongens die niet durven uitkomen voor hun seksuele geaardheid, vrouwen die een hoofddoek dragen in een islamofobe omgeving: de druk van de goegemeente is verstikkend.

De dag dat ik op mezelf ging wonen was fantastisch. Ik was in een staat van euforie. Het insect was bezig zich te ontpoppen. Ik had mijn eigen kamer, ver weg van mijn ouders, ver weg van mijn familie, ver weg van mijn verstikkende verleden. Het was maar een kleine kamer, nog geen zestien vierkante meter met een hoogslaper. Voor 120 gulden kocht ik bij een kringloopwinkel een tafel, een bank, een zwart-wittelevisie en een koelkast.

Onafhankelijk zijn ging me beter af dan ik had gedacht. Het was ook verbazingwekkend makkelijk. De lading vrijheid die ik tot mijn beschikking had vulde ik met lezen, studeren, achter de vrouwen aan gaan en sporten. Seks was een prachtige bonus, een ticket naar het paradijs. Toen ik de zwart-wittelevisie had aangezet, zag ik Bill Clinton getuigen over zijn vermeende affaire met Monica Lewinsky. Hier was een man die werd gestraft voor zijn seksuele frivoliteit. Gezegend de tijd waarin dit het hoofdnieuws was.

De ontlading duurde een paar jaar. Toen kwam de klad erin. De onafhankelijkheid begon zich tegen mij te keren. Ik verlangde om onverklaarbare redenen naar mijn familie. Ik wilde het gesprek opnieuw aangaan, deze keer vanuit mijn onafhankelijkheid en niet vanuit de afhankelijkheid, en hoewel dat geregeld leidde tot heftige conflicten, was ik daar toch naar op zoek.

Wanneer er een beroep op mij werd gedaan, vloog ik naar het ouderlijk huis. En toen verschillende leden van mijn familie gebukt gingen onder persoonlijke problemen die hun leven ontwrichtten, kon ik me niet aan een gedeelde verantwoordelijkheid onttrekken, alsof alleen ik met al mijn wereldwijsheid en autonomie in staat was om ze echt te beschermen. En wat ik toen ontdekte, was dat een familie een fragiel iets is, misschien wel een fictie waarin het goed toeven is, maar in onze moderne samenleving allang niet meer afdoende bescherming kan bieden.

Daarvoor is de externe druk te krachtig, vooral op een traditioneel gezin waar van oudsher religie, traditie en gehoorzaamheid aan de ouders belangrijke steunpilaren zijn en juist die waarden eroderen in een wereld waarin individualiteit, gelijkheid en vrijheid elke vorm van groepsgevoel uit elkaar trekken. Mijn ouders probeerden op hun ouderwetse manier de boel bij elkaar te houden, wat volledig mislukte. En ik geloofde dat als iedereen mijn weg ging, iedereen vanzelf gelukkig zou worden. Wat niet gebeurde.

Het bleek moeilijk de kwetsbaarheid die we voelden uit te spreken, alsof de waarheid de boel zou laten exploderen

Wat ik zag was hoe een systeem van afhankelijkheid in elkaar aan het storten was. De familiestructuur waarin iedereen op iedereen kan rekenen bleek een mythe. Wat overbleef was een verzameling individuen die krampachtig op zoek waren naar eigenwaarde en respect, een beetje privacy en wat geld. Het bleek heel moeilijk voor ons om de kwetsbaarheid die we voelden naar elkaar uit te spreken, alsof we de woorden die we vonden onder geen geval met elkaar konden delen, alsof de waarheid de boel pas echt zou laten exploderen.

Het hield me bezig. En toch moest ik weer door, ik kon niet meer die loyaliteit opbrengen die vroeger vanzelfsprekend leek. Ik was nu van mezelf, de klok kon niet worden teruggedraaid. Maar overal waar ik kwam werd ik verteerd door een verlangen om mijn familie te helpen, om een rol te spelen in het leven van mijn ouders en ondanks alle verschillen toch een vreedzame consensus te hebben. Ik herlas De gedaanteverwisseling van Kafka waarin dat verlangen naar eenheid onder het conflict de voeten wegbrandt. Wanneer een gemeenschap uit elkaar valt worden we allemaal insecten voor elkaar.

In de tussentijd leefde ik er lustig op los. Ik herinner me een Koninginnedag die op z’n einde loopt en die voor mij nog moet beginnen. Ik fiets langs het Museumplein, waar mensen vandaan lopen op zoek naar dekking voor de naderende regen. Ik ben op weg naar een feestje. De druppels deren me niet. Op dat moment vloeit mijn vrijheid door in de vrijheid van de wereld, alsof ik een instrument ben dat meespeelt in een prachtige van optimisme en weemoed doordrenkte symfonie.

De onafhankelijkheid had ook zijn grenzen, een bepaalde sleur. Mijn ouders hadden zich neergelegd bij mijn onafhankelijkheid. We hadden een mooie doch respectvolle afstand tot elkaar opgebouwd. We begrepen elkaar niet helemaal, maar dat hoefde niet uitgesproken te worden. De bloedbanden garandeerden een minimale hoeveelheid liefde.

De stilzwijgende afspraak werd slechts zo nu en dan onderbroken door gemopper over wanneer ik aan huisje-boompje-beestje ging doen, want zoals alle ouders, wensten zij ook mij dezelfde gevangenis met open deuren toe die ze voor zichzelf hadden gebouwd. Er gingen soms maanden voorbij dat ik ze niet sprak. Onder de onafhankelijkheid stroomden rivieren van schuldgevoel. Het ging allemaal veel dieper dan ik wilde toegeven.

Mijn vader besloot op bedevaart te gaan naar Mekka. Ik begeleidde hem naar Marokko, waar zijn moeder hem zou vergezellen. Ik was blij dat ik hem kon uitzwaaien, ik was blij dat ik hem kon achterlaten. Door zijn moeder mee te nemen liet hij zien dat hij afhankelijk was van haar. Alleen op bedevaart gaan zou geen bedevaart voor hem zijn. Ik vond het mooi, maar begreep het niet.

Ik herlas De gedaanteverwisseling van Kafka en kon het niet uitlezen. Het voelde als een marteling. Als een straf. Gregor Samsa lachte om mij.

Generatiegenoten uit mijn gemeenschap die hun wortels vernieuwden, herontdekten of mythologiseerden bekeek ik met hoofdschudden. Wat was er mis met individualisme? Ze gingen stug door met een gemeenschap bestendigen, ook toen Pim Fortuyn opkwam, de vliegtuigen zich in de Twin Towers boorden en Ayaan Hirsi Ali een film maakte over hun geloof. Misschien is dat wat mensen intuïtief doen ter voorbereiding op de storm die komt: een huis bouwen waar het goed toeven is.

Bij elk maatschappelijk incident waarin Marokkanen werden aangesproken op hun verantwoordelijkheid (de waarde die men bij uitstek onafhankelijke leden van de samenleving toedicht), van terroristische aanval tot politieke uitspraak, kwam ik erachter dat Marokkaanse Nederlanders van mijn generatie helemaal niet zo dom bezig waren. Zij zochten in een wereld die gewelddadiger, gepolariseerder en onbarmhartiger werd naar een stevige basis waarin ze hun kinderen een zinvolle en beschermde opvoeding konden geven. Ze organiseerden zich onderling, braken oude structuren open, maar bleven wel trouw aan het geheel ervan.

Daarin speelden de waarden van het geloof een belangrijke rol, en loyaliteit aan de familie was vanzelfsprekend. Ik voelde me verbonden met mijn zenuwen, veel minder met een groep. Ik had een instinctieve afkeer van groepsdenken, maar hier moest ik toch zeggen dat er ook iets te zeggen was voor zo’n sterk groepsbewustzijn. Daar kon ik dan wel mijn persoonlijke vrijheid tegenover zetten, maar die verloor door alle onzekerheid, twijfel en uitputting steeds meer van haar glans.

Mijn persoonlijke vrijheid verloor door alle onzekerheid, twijfel en uitputting steeds meer van haar glans

En de trots die ik erbij voelde werd steeds minder vanzelfsprekend. De seksuele vrijheid werd een diepe sleur, na het orgasme volgden dagen zonder besef van plaats of tijd. De vrijheid maakte alles egaal, af en toe onderbroken door een stuk rauw vlees.

Ik ontdekte dat ik het beste tot mijn recht kwam op de momenten dat ik kon helpen, kon dienen; de momenten waarin mijn schrijverschap niet alleen die persoonlijke zoektocht naar betekenis was, maar ook anderen aanzette tot zelfonderzoek. Een optreden valt of staat met het contact dat je met het publiek maakt. Er moet een moment komen waarin je samenvalt met de groep. Wanneer ik terugkwam van een lezing zonder het gevoel te hebben de harten beroerd te hebben, zonder dat we na afloop een goed gesprek hadden, dan baalde ik.

Ik besloot dat het anders moest. De verandering moest bij mij beginnen, niet bij de ander. Te lang had ik gedacht dat onafhankelijkheid altijd gezien werd, dat vrijheid zo universeel was dat iedereen zich er wel mee kan identificeren.

Ik ging de dialoog aan. Ik las het gedicht van John Donne:

Geen mens is een eiland, in zichzelf besloten;
elk mens is een stukje continent, deel van het vasteland.
Als een kluit aarde wegspoelt in zee, krimpt Europa,
of als een klip wegspoelt,
of het huis van je naaste of dat van jou.
Elk sterfgeval neemt iets van mij weg, omdat ik deel uitmaak van de mensheid;
vraag daarom nooit voor wie de doodsklok luidt; zij luidt voor jou.

Als ik tot mijn dood een zinvol leven wilde leiden, dan moest ik het egoïsme van me afschudden - dat egoïsme bestond uit onverschilligheid over de wereld waarin ik leefde, dat was mijn overlevingsstrategie geweest om mijn onafhankelijkheid te winnen. Nu was de tijd gekomen om haar af te bouwen.

Ik was al zo getraind geraakt in onafhankelijkheid, dat het moeilijk zou worden om alle verworven privileges op te geven. Maar het moest, want ondertussen was ik knetterdepressief geraakt. Ik was ongevoelig geworden. Alles wat ik schreef boeide me niet, alsof een machine het werk had overgenomen. Mijn gevoelens verwarden me, dus hield ik ze op slot. Ik kon dagenlang verborgen blijven voor mensen, kwam nauwelijks in slaap. Me vertonen aan vrienden of familie bezorgde me gevoelens van onlust. Alsof ik was gekomen om te bedelen om iets dat ze me niet konden geven.

Het gedicht werd een opdracht. En ik ontdekte dat veel schrijvers hun leven lang geleden hebben onder dat dubbele gevoel van de vrijheid: de schrijver wordt bewonderd om zijn onafhankelijkheid, fundament van zijn creativiteit, maar wordt er ook door uitgehold, want die vrijheid isoleert hem van de mensheid. Je kan er oud mee worden, maar je sterft wel voortijdig.

Liefdes volgden elkaar op, het hechtingsproces niet. Ik vond iemand, dronk, at, sprak, vree en ging weer verder. Totdat er een liefde kwam waarin me iets werd afgenomen: mijn onrust.

Die vrijheid die steeds verder wilde, niet begrensd door wat voor een verplichting, leek hier te willen halten. Ik keek naar haar in een verlaten restaurant waar we aan de bar zaten, prikte met mijn vork in een olijf en luisterde naar haar zoektocht naar vrijheid, haar strijd voor onafhankelijkheid en haar falen daarin. En wat ze me vertelde trok ik me aan. Het riep een simpel verlangen op om me aan dat zoeken van haar te verbinden. Het bracht rust dat er geen eindhalte was in deze relatie, enkel en alleen elke dag opnieuw proberen. Dat werd voor mij afhankelijkheid.

En toen veranderde er nog veel meer. Want ik kwam erachter dat die afhankelijkheid je letterlijk dwingt om voor honderd procent voor het noodzakelijke te gaan. Je kan er niet aan ontkomen als je eenmaal verantwoordelijkheid hebt genomen voor de mensen om je heen. Het voelde zoals het thuis had gevoeld, iets waar ik me van had afgekeerd. Lag het gevaar niet op de loer dat ik me er weer van af zou keren? Dat ik het op zou geven?

Met de geboorte van onze dochter kwam de radicale draai. Je kind neemt je gevangen. We waren compleet aan haar overgeleverd, met alle verantwoordelijkheden, ergernissen en afhankelijkheid die erbij hoort. Ze hield ons wakker, ze hield ons bezig. Mijn leven werd afgesteld op het hare. Wat er gebeurde is wat er gebeurt wanneer je een prachtig boek leest of naar een magistraal muziekstuk luistert: het vernauwt je blikveld tot enkel en alleen dat object en laat geen ruimte over voor iets anders. Je bent van het boek, je bent van het kind. Je bent niet meer van jezelf. Je bent ondergeschikt geraakt. Totaal afhankelijk.

Meer lezen?

Hier werken we aan een Afhankelijkheidsverklaring We werken op De Correspondent aan een Afhankelijkheidsverklaring, omdat er duizenden touwtjes lopen tussen alle mensen, dieren en planten, dwars door de millennia. Als we dat vergeten, werken we onszelf in de nesten. Hier vind je alle essays uit de serie terug. Lees hier de eerdere delen terug Wat ik leerde van mijn grootvader en zijn oude paard: zonder zorg voor elkaar valt niet te overleven Mijn grootvader had een band met zijn paard die ik nooit meer tegenkom. Hij was afhankelijk van het dier, en het dier van hem. Zo staat het paard voor een gigantische omslag: eeuwenoude plattelandsgewoonten losten op in de welvaart. Lees het verhaal van Peter hier terug Voor transhumanisten is de dood een probleem, en problemen kan je oplossen Het transhumanisme is een beweging die gelooft dat de mens zijn toekomstige evolutie kan en moet bijsturen met behulp van technologie. Een nieuw boek laat zien dat die overtuiging, hoe futuristisch ook, vooral iets vertelt over wat het betekent om een mens te zijn in het hier en nu. Lees het verhaal van Lynn hier terug