Het begon als een droom. Stel je voor: een onbewoond eiland in de Grote Oceaan, een vliegtuig stort neer. De overlevenden zijn een stuk of twintig Britse schooljongens van tussen de zes en twaalf jaar oud. Ze kunnen hun geluk niet op. Het strand, de schelpen, het water – het is alsof ze in een jongensboek zijn terechtgekomen. En beter nog: er zijn geen volwassenen.

Al op de eerste dag voeren de jongens een soort democratie in. Een van hen, Ralph, wordt verkozen tot leider. Hij heeft een beleidsplan van drie punten. Eén: lol trappen. Twee: overleven. Drie: rook maken voor passerende schepen.

Alleen punt één wordt een succes. De meeste jongens blijken liever te spelen en te schransen dan op het vuur te letten. Een van hen, Jack, jaagt het liefst op varkens. Met het verstrijken van de tijd worden hij en zijn vrienden steeds roekelozer. En net als er een schip voorbij komt, hebben ze hun post bij het vuur verlaten.

‘Je overtreedt de regels,’ roept Ralph verontwaardigd.
Jack haalt zijn schouders op. ‘Wat maakt het uit?’
‘De regels zijn het enige wat we hebben!’

Als de duisternis valt, groeit de angst voor een beest dat zich op het eiland schuil zou houden. Maar het echte beest zit in de jongens zelf. Ze beschilderen hun gezicht en werpen hun kleren af. Hun verlangen om te knijpen en te schoppen en te bijten wordt steeds groter.

Al die tijd houdt één jongen, Piggy, het hoofd koel. Piggy wordt zo genoemd omdat hij dikker is dan de rest. Hij heeft astma, een bril en kan niet zwemmen. Piggy is de stem van de rede, maar niemand luistert. ‘Wat zijn we?’ vraagt hij zich wanhopig af. ‘Mensen? Of dieren? Of wilden?’

Even later ligt Piggy op de grond, vermoord.

Na maanden zet een Britse officier eindelijk voet aan wal. Het eiland is dan een smeulende ravage. Drie kinderen zijn dood. ‘Ik had gedacht dat een groep Britse jongens zich beter zou gedragen,’ schampert de officier.

Ralph, ooit de leider van die keurig opgevoede groep, barst in tranen uit. ‘Ralph huilt om het einde van de onschuld,’ zo lezen we, ‘om de duisternis in het hart van de mens…’

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Een klassieker wordt geboren

Het bovenstaande verhaal is, toegegeven, van A tot Z verzonnen. Het ontstond in 1951, in het hoofd van de Britse schrijver William Golding. ‘Zou het geen goed idee zijn,’ vroeg hij op een dag aan zijn vrouw, ‘om een boek te schrijven over een paar jongens op een eiland, om te laten zien hoe ze zich echt zouden gedragen?’

‘Dat is een geweldig idee!’ Schrijf het!’

Het literaire Londen bleek minder enthousiast. Toen Goldings manuscript aankwam bij de uitgever Faber & Faber, was het al door heel wat anderen afgewezen. De eerste lezer, ene Miss Perkins, moest er ook weinig van hebben. Een ‘absurde en slaapverwekkende fantasie,’ noteerde ze. ‘Onzin en saai. Zinloos.’

Maar toen viste een jonge redacteur het boek uit de prullenbak. Niemand kon op dat moment vermoeden hoe groot Goldings succes zou worden. Uiteindelijk zouden er tientallen miljoenen exemplaren van Lord of the Flies (Heer der Vliegen) over de toonbank gaan. Het boek werd in meer dan dertig talen vertaald en groeide uit tot een van de grootste klassiekers van de twintigste eeuw.

Was Auschwitz een uitzondering, of zit er een nazi in ieder van ons?

Achteraf is het makkelijk het succes te verklaren. Golding liet als geen ander zien waar de mens toe in staat is. ‘Zelfs als we beginnen als een onbeschreven blad,’ schreef hij in zijn eerste brief aan zijn uitgever, ‘dan nog dwingt onze natuur ons er een potje van te maken.’ Of, zoals hij later opmerkte, ‘de mens produceert kwaad zoals een bij honing.’

Natuurlijk hielp de tijdgeest mee: begin jaren zestig vroeg een nieuwe generatie haar ouders naar de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Was Auschwitz een uitzondering, of zit er een nazi in ieder van ons?

Lord of the Flies suggereerde het laatste, en werd een enorme hit onder jongeren. Terwijl de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann terechtstond in Jeruzalem en de socioloog Stanley Milgram zijn beruchte schokexperimenten uitvoerde (die dat beschaving maar een dun laagje is), werd de schoolleraar William Golding wereldberoemd.

De invloedrijke criticus Lionel Trilling dat Lord of the Flies zelfs een ‘mutatie in de cultuur’ teweegbracht: ineens was het idee van de erfzonde weer populair. Uiteindelijk won Golding de Nobelprijs voor zijn oeuvre dat, van het Zweedse comité, ‘als realistisch verhalende kunst’ op briljante wijze ‘de menselijke conditie in de wereld van vandaag belicht.’

De beroemde schrijver Stephen King vatte het nog wat duidelijker samen in het voorwoord van de laatste jubileumeditie: ‘Lord of the Flies: een perfect begrip van het soort wezen dat mijn vrienden en ik waren op onze twaalfde.’

Wat zou er in het echt gebeuren?

Ik weet nog goed dat ik het zelf voor het eerst las, jaren geleden. Ik weet nog dat het boek me geschokt achterliet, en dat ik er dagen over gepiekerd heb.

Maar twijfelen aan Goldings zwarte mensbeeld deed ik eigenlijk niet. Er zit iets in de menselijke natuur dat ons het slechtste over diezelfde natuur doet geloven.

Wat ik indertijd nog niet wist, is dat in 1954 – nota bene het jaar dat Lord of the Flies werd gepubliceerd - ook een écht experiment werd uitgevoerd met een stuk of twintig schooljongens. Geen fictie, maar wetenschap.

Met dit onderzoek kunnen we dezelfde vraag beantwoorden: wat gebeurt er als je gewone kinderen hun gang laat gaan in een onbewoonde wildernis? Komt het beest spontaan in ze naar boven, of is er iets anders aan de hand?

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Het Robbers Cave Experiment

Dit verhaal begint op 19 juni, 1954. Twaalf jongens van een jaar of elf staan te wachten bij een bushalte in Oklahoma City. Ze komen uit keurige, protestantse gezinnen. En die dag kunnen ze hun geluk niet op. De jongens gaan namelijk op kamp.

De bestemming: Robbers Cave State Park in Zuidoost-Oklahoma. Het is een gebied van tachtig hectare, vol met heuvels, bossen en meren. De komende drie weken zal het hun onbewoonde eiland zijn.

Wat de jongens niet weten, is dat ze deelnemen aan En wat ze ook niet weten, is dat een dag later nóg een groep zal vertrekken.

Wat zal er gebeuren in die eerste week van totale vrijheid?

De leider van het onderzoek is de Turkse psycholoog Muzafer Sherif. Hij is al jaren geïnteresseerd in de vraag hoe conflict ontstaat tussen groepen, en hoe vervolgens weer vrede kan worden gesticht.

Sherif heeft dan ook lang uitgekeken naar dit moment. Alles is tot in de puntjes voorbereid. De instructies voor de leiding van het kamp zijn helder: laat de jongens doen waar ze zin in hebben. Alles mag, tenzij hun veiligheid in het geding komt.

In de eerste fase van het onderzoek weten de twee groepen niet van elkaars bestaan. Ze zitten in aparte kampgebouwen en denken dat ze het rijk voor zich alleen hebben. Wat zal er gebeuren in die eerste week van totale vrijheid? Gedragen de jongens zich zoals William Golding dacht dat kinderen ‘zich echt zouden gedragen’?

Vriendschap ontstaat spontaan, vijandschap wordt gezaaid

Laat ik er maar niet omheen draaien: de wetenschap is minder spannend dan de fantasie.

In die eerste week werken de jongens in beide groepen harmonieus samen. Ze maken een touwbrug en een duikplank. Ze bakken hamburgers en zetten een tent op. Ze rennen en springen - en worden al snel dikke vrienden.

Er is één jongen, Everett, die net als Piggy in Lord of the Flies niet kan zwemmen. Maar hij wordt niet gepest. De leden van zijn groep vormen een beschermende cirkel in het water, waarna ook de kleine Everett de sprong aandurft. ‘Hij werd door iedereen geprezen,’ zullen de onderzoekers later noteren, ‘en voor het eerst bij zijn favoriete bijnaam genoemd.’

Foto’s van het Robbers Cave Experiment

Foto’s van het Robbers Cave Experiment

Maar dan neemt het experiment een duistere wending. In de tweede week laat Sherif zijn terughoudendheid varen. Vanaf dat moment probeert hij de groepen – die zich de ‘Rattlers’ en de ‘Eagles’ noemen - tegen elkaar op te zetten. ‘Het doel van deze fase was om de condities zo te controleren dat iedere groep de ander als een concurrent zou zien,’ zo zullen de onderzoekers later noteren.

Om te beginnen organiseert de leiding een toernooi tussen de twee teams dat dagen zal duren. Er worden alleen spellen gespeeld die een duidelijke winnaar en verliezer hebben, zoals honkbal en touwtje trekken. Een troostprijs is er niet.

Ondertussen manipuleren de onderzoekers de score, om de teams nek-aan-nek te houden. ‘We waren altijd bezig met een of andere taak waarin we hen moesten verslaan,’ zal een van de jongens zich later herinneren. ‘De staf […] moedigde het gedrag aan dat paste bij de hypothese.’

Met name de Eagles hebben aanvankelijk niet veel zin in het toernooi. ‘Misschien kunnen we gewoon vrienden worden met deze lui,’ zegt een van hen, ‘dan hoeft niemand boos te worden of een hekel aan iemand te krijgen.’ Als de Rattlers de eerste honkbalwedstrijd winnen, prijzen ze de Eagles om hun sportiviteit.

Maar uiteindelijk lukt het: naarmate het toernooi vordert, beginnen de groepen een hekel te krijgen aan elkaar. De boel escaleert pas echt als de Eagles de vlag van de Rattlers verbranden (de lucifers krijgen ze van de staf). Wat volgt zijn een paar vechtpartijen en invallen waarbij de groepen elkaars slaapplekken overhoop halen. Niet dat de jongens op het punt staan elkaar te vermoorden, maar de sfeer is wel grondig verziekt.

Nieuw onderzoek werpt nieuw licht

Toch is dit niet het hele verhaal, zo ontdekte ik toen ik me verder verdiepte in de geschiedenis van dit beroemde experiment. In de tekstboeken lezen studenten nog altijd over de strijd die ‘spontaan’ ontstond toen de Rattlers en de Eagles elkaar tegenkwamen. Maar wat weinig mensen weten, is dat Muzafer Sherif het al eens eerder had geprobeerd.

Het Robbers Cave Experiment was niet de eerste poging om tweespalt te zaaien, het was de derde.

‘Ik ben over veel dingen anders gaan denken’

Het jaar ervoor was het op een fiasco uitgelopen. Sherif dat het experiment toen moest worden afgebroken ‘in verband met verschillende moeilijkheden en ongunstige condities.’ Zestig jaar later de psychologe Gina Perry wat er precies gebeurd was. De twee groepen – de Panthers en de Pythons – waren zulke goede vrienden geworden dat ze met geen mogelijkheid meer uit elkaar te krijgen waren.

De staf raakte steeds gefrustreerder over de goedheid van de jongens. Een van de onderzoekers trok een tent omver in de hoop dat de Panthers de schuld zouden krijgen. Tot zijn frustratie hielpen de kinderen elkaar de tent weer op te bouwen. Vervolgens deed de staf een inval bij de Panthers, in de hoop dat de Pythons de schuld zouden krijgen. Ook dit keer kwamen ze elkaar helpen.

Uiteindelijk kregen de kinderen door Een van hen vond een notitieboekje met gedetailleerde observaties, waarna het experiment moest worden stopgezet. ‘Ik denk dat we elkaar goed leerden kennen in de eerste paar dagen,’ zou een deelnemer zich herinneren, ‘en het lijkt erop dat als je vrienden hebt het wat moeilijker wordt om echt te concurreren. Dat klinkt wel als gezond verstand, niet?’

Al met al liet het experiment een onuitwisbare indruk achter op de deelnemers. ‘Ik ben over veel dingen anders gaan denken,’ zei een van hen onlangs. ‘Het is erg bemoedigend.’

Het mensbeeld van William Golding

Terwijl deze jongens de les van hun leven leerden, zat William Golding, 7.000 kilometer verderop, over zijn schrijftafel gebogen. De Britse schrijver deed geen onderzoek voor zijn romans, hij liet zijn verbeelding de vrije loop. ‘De natuur van de Mens met hoofdletter M,’ zo schreef Golding in zijn dagboek, ‘werd een urgentere zaak voor mij dan daadwerkelijk mensen ontmoeten.’

Gedurende zijn hele carrière was Golding in zichzelf teruggetrokken. Hij had een hekel aan interviews en liet weinig los over zijn privéleven. Pas kort geleden hebben we de ware Golding leren kennen. In zijn biografie, geschreven door de Britse criticus John Carey, komt het beeld van een nare man bovendrijven.

Zo had Golding een slechte relatie met zijn zoon en was hij een slechte leraar voor zijn klas. In zijn memoires, waar Carey exclusief toegang toe kreeg, gaf Golding zelfs toe dat hij als student een meisje had proberen te verkrachten (‘hou je mond, stomme hoer, ik ga je geen pijn doen,’ beet hij haar toe).

Hoe verder ik kwam in die 592 pagina’s dikke biografie, hoe beter ik begreep waar Golding zijn ideeën vandaan had. ‘Ik heb de nazi’s altijd begrepen,’ bekende hij, ‘want ik was net zo van nature.’ En het was ‘gedeeltelijk vanuit treurige zelfkennis’ dat hij Lord of the Flies had geschreven.

Er was nog één andere inspiratiebron voor het boek, zo blijkt uit de memoires: Golding deed ook experimenten op zijn eigen klas. Net als Muzafer Sherif zaaide hij doelbewust tweespalt onder zijn leerlingen, om vervolgens hun reactie te observeren. Als leider van een schoolreisje deelde Golding zijn groep op in tweeën. Een team voor de verdediging, en een team voor de aanval.

Jaren later pochte de schrijver dat hij de ziel van het kind met ‘gruwelijke precisie’ had weten te doorgronden, omdat hij ‘een zekere mate van experimentele wetenschap’ op zijn klas had losgelaten. ‘Mijn ogen puilden uit toen ik zag wat er gebeurde.’

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Zo worden vijanden weer vrienden

Niemand weet wat er precies gebeurde - zelfs biograaf John Carey heeft het na jaren onderzoek niet kunnen achterhalen. Wat we wel weten, is hoe het afliep met de Rattlers en de Eagles.

Tijdens die derde poging, eind juni 1954, stond er veel op het spel voor Sherif en zijn collega’s. Het geld was bijna op, maar eindelijk was het gelukt om de jongens En dus kwam Sherif, in de laatste week van het experiment, toe aan zijn hoofdvraag. Hoe verander je vijanden in vrienden?

Het antwoord zou hem wereldberoemd maken.

De onderzoekers probeerden het eerst met leuke dingen: samen ontbijten, filmkijken, zwemmen, vuurwerk afsteken – het mocht niet baten. Vervolgens confronteerden ze de kinderen met een reeks gezamenlijke uitdagingen. Ze deden bijvoorbeeld alsof de watertoevoer van het kamp stuk was.

Toen ze bijna thuis waren, begonnen de jongens te zingen. Ze wisselden adressen uit en beloofden elkaar nooit te vergeten

En toen gebeurde het. De jongens begonnen samen te werken. De omslag kwam pas echt toen de leiding deed alsof een van de trucks stuk was. De kinderen waren het er snel over eens dat het voertuig getrokken moest worden. En dus werd het touw (dat de week ervoor nog gebruikt was in het toernooi) tevoorschijn gehaald om de wagen ‘aan de praat’ te krijgen.

Nadat de jongens een paar minuten uit alle macht hadden getrokken, liet een van de wetenschappers de truck weer starten. ‘Yeah! We hebben het touwtrekken tegen de vrachtwagen gewonnen,’ riep een Eagle, waarna de jongens elkaar op de schouders sloegen.

Opnieuw realiseerde ik me dat er weinig overblijft van Goldings mensbeeld. Bedenk: in Lord of the Flies ging de groep ten onder aan rampspoed, maar in Oklahoma bracht het de jongens juist bij elkaar.

Aan het einde van de week vroegen de jongens of ze samen in één bus terug mochten. Onderweg herinnerde een van de Rattlers zich dat zijn groep nog vijf dollar over had – prijzengeld, gewonnen tijdens het toernooi. Al snel werd besloten om milkshakes te kopen voor álle kinderen. Toen ze bijna thuis waren, begonnen de jongens te zingen. Ze wisselden adressen uit en beloofden elkaar nooit te vergeten.

De dikke deken van de beschaving

492 uur observatie, 1.200 foto’s, honderden uren opnames – het Robbers Cave Experiment was een gigantisch project. Tot op de dag van vandaag is het een mijlpaal in de sociale psychologie.

Sindsdien is er veel meer onderzoek gepubliceerd over het gedrag van jonge kinderen. Uit deze literatuur blijkt dat we voor wij-zij-denken, zeker als dat van bovenaf wordt gestimuleerd (zoals in de tweede week van Sherifs experiment).

Maar er is ook een bibliotheek vol bewijs dat we van jongs af aan vol zitten met de drang om elkaar te helpen (zoals in de eerste week) en dat gezamenlijke uitdagingen ons (zoals in de derde week).

Dat wil zeggen: als het leven tegenzit, vallen we niet over elkaar heen. Bij rampspoed Dan blijkt beschaving geen dun laagje, maar een dikke deken die ons allemaal warm houdt.

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Foto’s: Ronald Grant Archive / HH

Waarom we zo slecht over onszelf denken

Ondertussen blijft de vraag me fascineren: wat zit er toch in de menselijke aard dat ons het slechtste over onszelf doet aannemen?

Misschien is het de zucht naar spanning en vermaak. Niet toevallig wordt William Golding gezien als de geestelijke vader van een van de populairste genres op de buis: ‘reality-tv.’ De aanname van dit soort shows – van Big Brother tot Temptation Island - is dat mensen zich als beesten gedragen als je ze vrij laat.

Wat zit er toch in de menselijke aard dat ons het slechtste over onszelf doet aannemen?

‘Ik las en herlas Lord of the Flies,’ de bedenker van de hitserie Expeditie Robinson eens. ‘Ik las het toen ik twaalf was, nog een keer toen ik twintig was, nog een keer toen ik dertig was, en toen we het programma maakten weer.’

De moeder van het genre is MTV’s The Real World. Iedere aflevering begint met een deelnemer die zegt: ‘Dit is het ware verhaal van zeven vreemdelingen […] om te kijken wat er gebeurt als mensen niet meer aardig zijn voor elkaar, and start getting real.’

Liegen, bedriegen, krenken en kwetsen – iedere keer wordt het als ‘realistisch’ en ‘echt’ opgevoerd. Maar wie zich verdiept in de productie van zulke programma’s slaat steil achterover van de hoeveelheid manipulatie en bedrog die nodig is om het slechtste in de mens naar boven te halen.

De gevolgen van zo’n zwart mensbeeld

Je zou kunnen zeggen: ach, wat maakt het uit? Mensen begrijpen wel dat het entertainment is.

Maar verhalen zijn nooit zomaar verhalen. Wat we vertellen is wat we worden. Uit van de psycholoog Bryan Gibson blijkt bijvoorbeeld dat het kijken van Lord of the Flies-achtige televisie mensen agressiever kan maken. Het verband tussen kinderen die gewelddadige media consumeren en agressie in het latere leven dan de link tussen asbest en kanker, of het verband tussen calciuminname en botmassa.

Nog belangrijker is het effect op ons wereldbeeld. Britse onderzoekers dat meisjes die meer reality-tv kijken vaker zeggen dat je gemeen en leugenachtig moet zijn om vooruit te komen in de wereld.

Er zijn die uitwijzen dat televisie ons wantrouwiger en angstiger kan maken. Tv-verslaafden stemmen bijvoorbeeld vaker in met uitspraken als ‘De meeste mensen denken alleen aan zichzelf.’ De grondlegger van dit onderzoeksveld - de hoogleraar George Gerbner (1919-2005) - sprak ook wel van het Mean World Syndrome.

‘Wie de verhalen van een cultuur vertellen,’ Gerbner, ‘beheersen het menselijk gedrag. Ooit was dat de ouder, de school, de kerk, de gemeenschap. Nu is het een handvol bedrijven die niets te melden hebben, maar een heleboel te verkopen.’

Een nuchter feit: de meeste mensen deugen

Ik denk dat het tijd is een ander verhaal te vertellen.

Natuurlijk, ieder van ons heeft het kwaad in zich. Kinderen pesten en volwassenen voeren oorlog. Maar de meeste van de zeven miljard zielen op deze aarde zijn drukker met samenleven en liefhebben dan met kwetsen en haat.

Die overgrote meerderheid is misschien niet goed voor de kijkcijfers en levert ook geen stof voor internationale bestsellers waarmee je de Nobelprijs voor de Literatuur wint. Maar die meerderheid maakt dit leven, op deze aarde, wel de moeite waard.

Een van de jongens in Sherifs tweede experiment verwonderde zich jaren later nog over hoe verwrongen ons mensbeeld is. Het experiment had hem geleerd dat vriendschappen spontaan groeien, en dat het moeilijk is, heel moeilijk, om vrienden uit elkaar te drijven. ‘Soms denk ik,’ ‘dat de rest van de wereld ook van dit nuchtere feit zou moeten horen.’

YouTube

De onderzoeker Felix Warneken deed een reeks van hartverwarmende experimenten die aantoonden dat hele jonge kinderen al spontaan een vreemdeling helpen.

Wil je een seintje ontvangen zodra mijn volgende nieuwsbrief verschijnt? Als correspondent Vooruitgang probeer ik de actualiteit vanuit een historisch perspectief te belichten. Meer lezen? Geef je dan hieronder op. Ik stuur je een e-mailtje als mijn nieuwe nieuwsbrief verschijnt. Geef hier je e-mailadres op

Verder lezen?

Wie goed doet...komt nooit in het journaal (en dat is een groot probleem) Je volgt het nieuws en denkt: we gaan ten onder aan egoïsme en hufterigheid. Er was geen voorpagina over de zoveelste bijeenkomst waar bewoners rustig met elkaar in gesprek gingen. Er was geen pushbericht over het zoveelste burgerinitiatief voor vluchtelingen. En de reden is simpel: het goede is zo alomtegenwoordig dat we het niet zien. Lees mijn verhaal hier terug De wetenschap leert nu: beschaving is een veel dikkere laag dan gedacht De psycholoog Stanley Milgram werd wereldberoemd met zijn ‘schokexperimenten,’ waarin doodgewone mensen bereid bleken anderen te elektrocuteren. Hij leek een verklaring te bieden voor het grootste kwaad, tot de Holocaust aan toe. Maar hoewel het nog nauwelijks is doorgedrongen, komen wetenschappers inmiddels tot heel andere conclusies. Lees het verhaal van Rutger hier terug