Beste,

Alleen-zijn. Zodra je erop gaat letten, is het plotseling overal. Of beter, het pleidooi ervoor: het stikt van de artikelen en boeken waarin de voordelen van het alleen-zijn worden opgesomd en de lezer wordt aangespoord zich in de kunst ervan te bekwamen.

Zo las ik twee weken terug op aanraden van meerdere van jullie het boekje (2014) van Sara Maitland, een mengeling tussen historische beschouwing, hartstochtelijk pleidooi en zelfhulpboek, uitgegeven door The School of Life.

Alleen-zijn is moeilijk, schrijft Maitland: we vinden het eng, of we vinden er de tijd en ruimte niet voor. De samenleving helpt niet: mensen die afzondering verkiezen boven samenzijn vinden we al snel een beetje gek of zelfs bedreigend.

Zonde, want alleen-zijn werkt bevorderend voor je creativiteit, zelfkennis, inlevingsvermogen en tal van andere goede zaken. Maitland geeft tips over hoe je het alleen-zijn kan oefenen – bijvoorbeeld door eens een keer alleen op reis te gaan, vaker te dagdromen, of je wat meer in de natuur te begeven.

Een stokoud genre

Dat ik de alomtegenwoordigheid van dergelijke pleidooien nu pas opmerk want het genre zelf is stokoud.

Henry David Thoreaus Walden, waarin hij verslag deed van een afgezonderd leven in de bossen, Het werk vindt voortdurend navolging; meest recentelijk nog in Solitude (2017), een boek waarin Michael Harris pleit voor meer alleen-zijn

En het pleidooi-voor-alleen-zijn gaat nog veel verder terug dan dat: good old Plato had het er al over dat je, om écht goed na te kunnen denken, alleen met je gedachten moest kunnen zijn.

Afgelopen week publiceerde Aeon een prettig essay van filosofiehistoricus Jennifer Stitt, waarin de filosofie van de afzondering in historisch perspectief wordt geplaatst.

Stitt richt zich vooral op Zelfstandig nadenken, zo meende zij, vereist afzondering: en wie niet alleen met zichzelf nadenkt, is ook niet in staat het onderscheid te maken tussen feit en fictie, tussen goed en kwaad. Leven met anderen begint dus bij het kunnen leven met jezelf.

Alleen-zijn in tijden van internet

‘Arendt’s warning is well worth remembering in our own time,’ schrijft Stitt: ‘In our hyper-connected world, a world in which we can communicate constantly and instantly over the internet, we rarely remember to carve out spaces for solitary contemplation.’

Dat argument kom je vaker tegen: ook voor Michael Harris is het internet de belangrijkste sta-in-de-weg van het alleen-zijn.

Maar de tijdloosheid van de kwestie die Stitt omschrijft – naast Plato en Arendt haalt ze onder meer Edgar Allen Poe en Pythagoras aan, die zich eveneens over het belang van alleen-zijn hebben gebogen – geeft eigenlijk al aan dat het niet echt aan het internet ligt.

Als alleen-zijn tweeduizend jaar geleden ook al moeilijk was, dan heeft het waarschijnlijk meer met onze aard als sociale wezens te maken, dan met de specifieke technieken die we inzetten om met anderen in contact te komen.

Alleen-zijn als luxeproduct

Alleen-zijn: in de pleidooien die ervoor verschijnen is het een voorwaarde voor het goede leven, een morele plicht, een heldendaad. Ik ben daar wel gevoelig voor, en lees het allemaal graag.

Maar misschien is alleen-zijn ook wel een beetje een luxeproduct: je hebt er tijd en ruimte voor nodig, en vooral ook de zekerheid van een hecht sociaal netwerk dat op je wacht terwijl jij je terugtrekt. Lang niet iedereen heeft dat.

Over dat laatste aspect van alleen-zijn, alleen-zijn als iets wat misschien niet iedereen zich kan veroorloven, kan ik dan weer veel minder teksten vinden. Dus daar ga ik zelf maar eens over nadenken, de komende tijd. Hebben jullie tips of ideeën? Ik hoor het graag.

Fijn weekend,

Lynn.

Wil je volgen wat ik zoal lees en schrijf? Schrijf je in voor mijn nieuwsbrief Op De Correspondent verdiep ik me in moderne sleutelwoorden en schrijf ik geregeld over technologie, cultuur en literatuur. Wil je per e-mail op de hoogte blijven van nieuwe stukken in de maak en wat ik zoal voor moois tegenkom op De Correspondent en daarbuiten? Schrijf je dan in voor mijn nieuwsbrief! Inschrijven doe je hier