‘Waar ik bang voor ben, is dat het een debat wordt over wie wat wist wanneer en wie het meeste boter op zijn hoofd heeft. Ik vrees dat we voor de zoveelste keer de echte vragen uit de weg gaan.’

Natuurlijk vindt Bob de Graaff het debat dat vandaag in de Tweede Kamer wordt gevoerd over ‘de draai van Plasterk’ niet onbelangrijk. De hoogleraar Intelligence & Security Studies aan de Universiteit van Utrecht én de Nederlandse Defensieacademie in Breda, kan het alleen maar toejuichen dat de Nederlandse diensten zo’n prominente rol innemen in de politieke discussie. Dat is weleens anders geweest. 

Het zou alleen zo mooi zijn als de aanleiding voor de verhitte discussie die de afgelopen dagen is ontstaan, een andere was. Dat het geen incident was dat de aandacht van Den Haag voor even vol op de inlichtingendiensten vestigde. Dat niet de ijdelheid van een minister ertoe leidde dat de gehele Nederlandse journalistiek zich opeens voor de geheime diensten lijkt te interesseren. En dat niet de dreiging van een politieke crisis ervoor zorgde dat heel Nederland opeens lijkt te weten wat het verschil is tussen de AIVD en de MIVD. 

Een kritische insider

Bob de Graaff is een van de weinige serieuze experts op het gebied van de Nederlandse inlichtingen-en veiligheidsdiensten. De historicus schreef onder andere in 1998 met politicoloog Cees Wiebes het standaardwerk de geschiedenis van de beruchte Inlichtingendienst Buitenland. In dat boek onthulden de auteurs onder andere een plan van de Nederlandse regering om in 1986 militair in te grijpen in het Suriname van legerleider Bouterse. Ook bleek uit hun onderzoek dat de voorloper van de Amerikaanse National Security Agency (NSA) al vanaf 1943 diplomatiek verkeer van de Nederlandse regering onderschepte.  

De hoogleraar heeft de afgelopen jaren felle kritiek geuit op de uitbreiding van de bevoegdheden van de nationale en internationale diensten, waarbij hij woorden als ‘controlestaat’ niet schuwde.

Een kenner dus, een insider. Met goede contacten bij de diensten waar hij onderzoek naar doet. Hij is mede-oprichter van de Netherlands Intelligence 
Studies Association ( ), een club die bestaat uit onderzoekers en (ex-)medewerkers van de Nederlandse inlichtingendiensten, met als doel het debat over inlichtingen- en veiligheidskwesties naar een hoger plan te tillen. 

Het heeft De Graaff allerminst tot een goedgelovige bewonderaar van zijn onderzoeksobject gemaakt. De hoogleraar heeft de afgelopen jaren felle kritiek geuit op de uitbreiding van de bevoegdheden van de nationale en internationale diensten, waarbij hij woorden als ‘controlestaat’ niet schuwde. 

Tussen 2007 en 2009 was De Graaff de eerste Nederlandse hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan de Universiteit Leiden. Ook het feit dat die leerstoel deels werd gefinancierd door Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, weerhield De Graaff er niet van de Nederlandse aanpak van terrorisme scherp te veroordelen. ‘We moeten oppassen dat we niet bezig zijn met het introduceren van een gedachtepolitie,’ zei hij in 2008 tegen Vrij Nederland

Praten over de geheime diensten

De Graaff pleit er al jaren voor dat de Nederlandse diensten structureel onderwerp worden van het politieke en maatschappelijke gesprek. De Graaff: ‘De AIVD zou in de vakkenpakketten van de Nederlandse middelbare scholen moeten zitten. Het is een Nederlandse overheidsdienst die letterlijk het recht heeft fors in de privacy van burgers in te grijpen. Dat is nogal wat.’ Nu wordt er vooral over de diensten gesproken als er iets misgaat. Deze ‘incidentgedreven aandacht’ voor de diensten staat de meer fundamentelere vraag - waarom er eigenlijk zoiets als geheime diensten bestaat - in de weg. 

Dat hebben de diensten wel voor een groot deel aan zichzelf te danken. Vooral de AIVD, legt De Graaff uit. Die dienst is nogal slecht in wat de hoogleraar ‘verwachtingsmanagement’ noemt: het uitleggen aan de buitenwereld wie ze zijn, wat ze doen en waarom ze dat doen. De AIVD, legt De Graaff uit, houdt de mythe van de ‘almachtige geheime dienst’ graag in stand. ‘De diensten hebben nooit goed uit weten te leggen wat ze doen en wat ze niet doen. Ik heb nooit begrepen waarom ze bij wijze van spreken niet week in week uit vertellen wat ze in grote lijnen doen, zonder daarbij operationele details vrij te geven. Dat kan best. Als er dan een nieuw feitje binnenkomt bij het publiek, zoals die 1,8 miljoen metadata, dan valt dat weg tegen het decor van algemene informatie. Zo kun je de incidenten voor zijn. Nu is er te veel geheim. Een vruchtbare voedingsbodem voor misverstanden.’

‘Veel Kamerleden weten bijvoorbeeld niet eens het verschil tussen een inlichtingen-en een veiligheidsdienst’

Ook de journalistiek en de politiek zijn debet aan het gebrekkige debat over de inlichtingendiensten, zegt De Graaff. ‘Een aantal journalisten is goed op de hoogte, maar er zijn er meer die dat niet zijn. Het gevolg is dat het brede publiek niet goed genoeg wordt geïnformeerd.’ Tweede Kamerleden missen de deskundigheid die nodig is om het debat naar een hoger plan te tillen. ‘Je ziet het continu aan de uitspraken die ze doen. Veel Kamerleden weten bijvoorbeeld niet eens het verschil tussen een inlichtingen- en een veiligheidsdienst. Als je dat laat blijken als gesprekspartner van de diensten, dan weten die ook meteen dat ze je niet serieus hoeven te nemen.’

Wanneer de technologie leidend wordt

Als het kabinet het debat van vandaag overleeft, zal er binnen een maand opnieuw in de Kamer over de diensten worden gesproken. Dan komt de regering met een reactie op het van de commissie-Dessens, die in december een evaluatie maakte van de Wet op de Nederlandse Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WiV). De Graaff vindt dat de commissie een aantal juiste aanbevelingen doet voor de toekomst van de Nederlandse diensten. Zo raadt de commissie aan het ambtelijk apparaat dat de minister van Binnenlandse Zaken ondersteunt op het gebied van inlichtingen, te versterken. Dat is hard nodig, erkent De Graaff met een verwijzing naar het Kamerdebat dat vandaag plaatsvindt. Ook de aanbeveling van Dessens om de diensten transparanter te maken en het toezicht te verbeteren, vindt De Graaff ‘een goede insteek.’

Het voorstel van de commissie dat het meeste aandacht heeft gekregen, is een verruiming van de bevoegdheden van de diensten. Zij zouden ook de mogelijkheid moeten krijgen om ‘ongericht kabelgebonden’-communicatie af te tappen. Nu is het de diensten alleen toegestaan ongericht ‘niet-kabelgebonden’ af te tappen, zoals het communicatieverkeer via satellieten. De redenering achter deze aanbeveling is dat door de voortschrijdende technologie steeds meer communicatie via de kabel verloopt (internet, telefonie) en de diensten zo achter gaan lopen. 

‘Dat advies viel te verwachten,’ zegt Bob de Graaff. ‘De commissie heeft gedaan wat ze moest doen. Maar mijn vraag is: krijgen we nu om de zoveel jaar een commissie die onderzoekt of de wet nog wel adequaat is in het licht van de nieuwste technologische ontwikkelingen? Mijn grote bezwaar is dat er wordt gezegd dat als de diensten níet bepaalde technologische mogelijkheden hebben, ze op achterstand staan. Dan zouden ze horende een beetje doof zijn en ziende een beetje blind. Ik zou nu het principiële debat willen voeren: wanneer stoppen we daarmee? Wanneer is de grens bereikt dat de technologie leidend is in wat de diensten moeten kunnen?’

‘Ik zou nu het principiële debat willen voeren: wanneer stoppen we daarmee? Wanneer is de grens bereikt dat de technologie leidend is in wat we moeten kunnen?’

Van oudsher, legt de historicus uit, hebben inlichtingen- en veiligheidsdiensten een technologische voorsprong gehad. De eerste computer is zo ongeveer door een inlichtingendienst gebouwd en het internet vindt zijn oorsprong op het Amerikaanse ministerie van Defensie. En denk eens aan Q die James Bond van de aller nieuwste technische foefjes voorziet.

Das war einmal. Nu is technologie gedemocratiseerd. Technologie is kleiner, goedkoper en toegankelijker geworden. Het gevolg is dat ook het vergaren van inlichtingen gedemocratiseerd is. Staten raken hun inlichtingenmonopolie kwijt aan andere partijen. Van Facebook, dat het sociaal gedrag van miljarden mensen registreert, tot Albert Heijn, dat precies bijhoudt welke aankopen wij doen. 

‘Het kennismonopolie van de diensten is aan het verdwijnen. Ga maar na hóeveel bedrijven van ons weten. Een supermarkt weet dat als een vrouw tussen de 15 en 40 opeens wisselt van shampoomerk, ze waarschijnlijk zwanger is.’ Maar ook het gedrag van individuen valt meer en meer in het domein dat ooit enkel van de inlichtingendiensten was, zegt De Graaff. ‘Denk eens aan de manier waarop je je gedraagt op internet. Je hebt een wachtwoord voor verschillende diensten, soms meet je je een andere identiteit aan, je gebruikt satellietinformatie met Google Earth. Dat was twintig jaar geleden typisch inlichtingengedrag. We zijn allemaal inlichtingendienstjes geworden. Er wordt wel beweerd, ook door medewerkers van inlichtingendiensten, dat je met enkele tientallen knappe koppen en volledig openbare informatie bijna net zo ver kunt komen als de Amerikaanse inlichtingendienst. De vraag is dan wat het bestaan van die diensten nog rechtvaardigt.’

Het voordeel van Duitsers

In deze ‘concurrentiestrijd’ willen inlichtingendiensten hun technologische voorsprong koste wat kost behouden. Dat betekent: meer middelen en meer bevoegdheden. En dat roept volgens De Graaff veel vragen op. Over de privacy van burgers. Over de kosten voor de samenleving. Bovendien kun je je afvragen wat de rol van de inlichtingendiensten nog is als ze geen inlichtingenmonopolie meer hebben. Wie houdt zich in een samenleving allemaal nog meer bezig met inlichtingen en veiligheid? Waartoe zijn de bestaande diensten ter aarde en welke rol verwachten we als samenleving van ze? Gaat bijvoorbeeld de bestaande wet- en regelgeving voor de diensten verloren als allerlei andere organisaties en particulieren zich ongereguleerd op dit terrein begeven? En verliezen de officiële diensten door hun bureaucratische karakter niet al te gemakkelijk terrein?

‘In Nederland gaan mensen niet zo snel de barricaden op, zeker niet om te protesteren tegen iets als privacyschending’

De mooiste uitkomst van het debat van vandaag, zegt De Graaff, is als deze vragen oprijzen en structureel aan de orde worden gesteld. Maar erg hoopvol is hij niet. ‘Daarvoor heb je Kamerleden nodig die er brood in zien dit onderwerp 365 dagen per jaar, vier jaar achter elkaar te voeren en niet alleen nu, tijdens dit debat. Maar ik heb niet het idee dat er genoeg belangstelling is vanuit de samenleving. In Nederland gaan mensen niet zo snel de barricaden op, zeker niet om te protesteren tegen zoiets als privacyschending. In Berlijn lukt je dat wel. Het voordeel van Duitsers is dat zij een sterke verdenking van zichzelf hebben op grond van de geschiedenis. Wij hebben dat niet. Maar ik ben historicus genoeg om mijn hand er niet voor in het vuur te durven steken dat de maatregelen die wij nu aan het nemen zijn, over vijftien jaar nog steeds in veilige handen zijn.’ 

  Vergeet Plasterk, de Amerikanen kunnen er toch wel bij Correspondent Dimitri Tokmetzis heeft, voor zover mogelijk, in kaart gebracht welke communicatienetwerken in Nederland allemaal onder de Amerikaanse jurisdictie - en daarmee onder mogelijke surveillance van de NSA - vallen. Lees hier het verhaal over de toegang die de NSA heeft tot de Nederlandse netwerken