Illustraties: Jenna Arts (voor De Correspondent)

In het regeerakkoord dat deze week gepresenteerd werd, staat een passage over onderwijs die de komende jaren tot veel debat zal leiden. ‘Om het lerarenregister tot een succes te maken moet het straks van, voor en door de docent zijn. Dit zal voor het kabinet een harde voorwaarde zijn in de verdere uitwerking.’

Dat lerarenregister maakt deel uit van de Wet Beroep Leraar, die op 1 augustus 2017 werd ingevoerd. Om in het register te mogen staan, moeten Uit het mbo, voortgezet en primair onderwijs. een lesbevoegdheid hebben, zich voldoende bijscholen en zich houden aan de ‘professionele standaard’ die door leraren zélf wordt opgesteld. Wie aan een van de drie eisen niet voldoet, mag vanaf 1 augustus 2027 De Onderwijscoöperatie laat mij in een reactie weten dat wat in het regeerakkoord staat niet helemaal klopt. Ze schrijft dat wie niet aan de eisen voldoet een aantekening krijgt en dat het aan de sociale partners is om te bepalen wat de rechtspositionele gevolgen zijn. Ze heeft gelijk, en toch heb ik dat niet overgenomen. Het is namelijk wel degelijk de bedoeling dat iemand die niet aan de eisen voldoet, vanaf 1 augustus 2027 geen les meer mag geven. Als de sociale partners dat niet willen, dan heeft het register helemaal geen status. De Onderwijscoöperatie schrijft nota bene op de eigen site: ‘Een leraar krijgt een aantekening in het register als hij na vier jaar niet de benodigde registerpunten cq uren heeft behaald om te kunnen herregistreren. Tot 2027 heeft dit nog geen consequenties, vanaf 2027 wél. Vanaf dat jaar mag een docent met een aantekening niet meer voor de klas staan.’

Het register wordt georganiseerd door Dit zijn de Algemene Onderwijsbond (AOb), CNV Onderwijs, het platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs (VVVO), de Federatie van Vakorganisaties (FvVO) en Beter Onderwijs Nederland (BON). BON stapt er in oktober 2016 weer uit. een samenwerking tussen vier grote lerarenorganisaties. De slogan van die club is: ‘Van, voor en door de leraar.’

Maar veel leraren staan niet achter het register. In aanloop naar de behandeling van de wet werd Bezoek hier de site. een petitie op stopditlerarenregister.nl bijna 30.000 keer ondertekend. Bezoek hier de website. Een latere petitie, waarin leraren schrijven dat zij hun bijscholing niet zullen bijhouden, werd door meer dan 8.000 leraren ondertekend. De docenten vinden dat het register van bovenaf wordt opgelegd.

Hoe kan het dat die Wet Beroep Leraar er dan toch gekomen is? Na het bestuderen van rapporten, spreken van direct betrokkenen en inzien van interne documenten concludeer ik: dit register kan nooit ‘van, voor en door de leraar’ zijn. Ook ‘straks’ niet.

Iedereen akkoord, behalve de leraar

Vanaf het begin van de jaren negentig In 1991 installeerde staatssecretaris van Onderwijs Jacques Wallage (PvdA) de ‘Commissie Toekomst Leraarschap’, die moest adviseren over ‘de rol, positie en waardering van het leraarschap op langere termijn’. In een reactie op het rapport dat de commissie schrijft, wordt het ‘Nederlands register van leraren’ voor het eerst genoemd. Het gaat om een ideetje zonder verplicht karakter, een ‘extra kwaliteitsstandaard’. Wallage schrijft: ‘Het kabinet nodigt de beroepsgroep uit om ook zelf kwaliteitsstandaarden te ontwikkelen. Als middel daartoe kan gedacht worden aan de instelling van een register.’ over een lerarenregister. Daar bestaan verschillende ideeën over. Het meest exemplarisch voor hoe de VVD tegen het lerarenregister aankijkt, is de nota ‘Maatwerk voor morgen. Het perspectief van een open onderwijsmarkt’ (1998), geschreven door VVD-minister van Onderwijs Loek Hermans.

Daarin schrijft hij dat de kwaliteit van leraren weliswaar goed is, maar dat het huidige stelsel ‘niet voldoende prikkels’ biedt om ‘tegemoet te komen aan nieuwe kwaliteitseisen die de veranderende tijd en de onderwijsvernieuwing aan de leraar stellen’. Hij bedoelt: leraren zouden niet alleen bevoegd moeten zijn, maar zich ook moeten blijven bijscholen. Hermans stelt een ‘kwaliteitswet’ voor als extra middel voor de overheid om de kwaliteit van leraren te bewaken. Die wet zou uit drie delen moeten bestaan: minimumeisen voor wie les mag geven, een register voor bijscholing en ‘een instrumentarium dat een ruimere toegang tot het beroep van leraar mogelijk maakt’. Met de introductie van de wet wordt volgens Hermans ‘op eigentijdse wijze’ uitdrukking gegeven aan de verantwoordelijkheid van de overheid voor de kwaliteit van het onderwijzend personeel.
zouden leraren hun bijscholing moeten bijhouden in een verplicht register. Volgens de vakbonden is alleen bijscholing niet genoeg: leraren zouden ook een ‘professionele standaard’ moeten ontwikkelen, waarin afspraken staan over hoe een leraar zich moet gedragen. En Dat schrijft staatssecretaris van Onderwijs Jacques Wallage (PvdA) in 1993. Minister van Onderwijs Ronald Plasterk (PvdA) herhaalt dat later. is het prima als leraren zelf een register beginnen, maar kan de overheid het niet verplichten als leraren er niet aan willen.

Over één ding zijn alle partijen het eens: een leraar die alleen verantwoordelijkheid draagt voor wat er in zijn eigen klas gebeurt, is geen ‘professional.’ Leraren zouden zich gezamenlijk moeten verantwoorden tegenover elkaar en de maatschappij.

Over één ding zijn alle partijen het eens: een leraar die alleen verantwoordelijkheid draagt voor wat er in zijn klas gebeurt, is geen ‘professional’

Alleen de leraar is het daar niet mee eens. Wanneer in de zomer van 2014 De hele enquête vind je hier. een enquête wordt verstuurd aan de leden van de vijf grootste lerarenorganisaties, geeft 21,5 procent van de 2.534 leraren aan een verplicht register te willen waarin bevoegdheid, bijscholing en een bewijs omtrent gedrag worden bijgehouden. 38,1 procent vindt dat bijscholing daar geen deel van zou moeten uitmaken, 40,4 procent wil dat een register helemaal vrijwillig is. Het is Die aanwijzingen noem ik in m’n stuk, behalve één: in februari 2015 sluit een internetconsultatie over het wetsvoorstel. Er komen zo’n 700 reacties. 30 procent is voorstander, 40 procent is tegenstander, 20 procent van de reacties is ‘andersoortig’ is en 10 procent reageert dat de wet ‘voorgeschreven’ is. Dat maakt dus dat eigenlijk 50 procent (40 plus 10) tegenstander is. dat leraren het register niet willen.

Ook bij de oprichting van Over wat zo’n ‘beheerder’ nu precies moet doen, bestaan ook verschillende politieke opvattingen. Over de voorloper van de Onderwijscoöperatie, de Stichting Beroepskwaliteit Leraren (SBL), schrijft toenmalig VVD-minister Loek Hermans in 1998: ‘In ieder geval moet duidelijk zijn dat de beheerder een uitvoerder is. Hij stelt niet zelf inhoudelijke eisen, maar voert administratieve handelingen uit op grond van door de minister vastgestelde eisen.’ Dat is nogal een ander standpunt van ‘van, voor en door de leraar,’ de slogan van de latere Onderwijscoöperatie. in 2011 staat in een brief gericht aan iedereen die betrokken is bij de coöperatie al: ‘Wie momenteel een rondgang doet onder docenten en hen vraagt wat de grootste problemen zijn in het onderwijs en hoe die opgelost kunnen worden, zal niet vernemen dat de invoering van een register de meest dringende kwestie is. ‘Dat ook aan docenten bepaalde kwaliteitseisen worden gesteld spreekt voor zich, maar mag niet het imago van de Onderwijscoöperatie gaan bepalen.’ Een te sterke nadruk op tekortkomingen van docenten en eventuele eisen die aan hen worden gesteld zal vele docenten op voorhand vervreemden van de coöperatie.’

De strategie van de Onderwijscoöperatie

Dat brengt de lerarenorganisaties die zich hebben verenigd in de Onderwijscoöperatie in een lastige positie: via de coöperatie proberen ze een register op poten te zetten waarvan ze weten dat het ooit verplicht zal worden, terwijl de leden van de afzonderlijke organisaties lang niet allemaal een register willen.

Dit bevestigen voorzitter Joost Kentson en directeur Annet Kil in een gesprek. rustig een vrijwillig register opstarten en dat pas verplichten als veel leraren zich hebben aangemeld.

Dit blijkt uit documenten in handen van De Correspondent. In die documenten staan vragen die leraren aan de Onderwijscoöperatie gesteld hebben, met de antwoorden van de Onderwijscoöperatie daarop. Als een docent in 2012 bij de coöperatie aanklopt met de zorg dat het register ooit verplicht zal worden, krijgt zij als antwoord: ‘Wat betreft de Onderwijscoöperatie is er geen sprake van dat inschrijving in Registerleraar.nl wanneer dan ook verplicht zal worden.’

En als een leraar mailt dat het register beter verplicht kan worden, reageert de Onderwijscoöperatie: ‘Juist door registratie op vrijwillige basis aan te gaan maakt de registerleraar duidelijk dat hij zijn beroep serieus neemt, bevoegd is en zijn bekwaamheid onderhoudt.’

Worden leraren bewust misleid, of is binnen de Onderwijscoöperatie ook niet iedereen op de hoogte van de strategie?

De staatssecretaris heeft haast

Hoe het ook zij, het loopt anders dan gepland. In het regeerakkoord van Rutte II (2012) wordt afgesproken dat het lerarenregister ‘wettelijk verankerd’ (lees: verplicht) moet worden. Sander Dekker (VVD) wordt staatssecretaris van Onderwijs.

In Het Nationaal Onderwijsakkoord vind je hier terug. het Nationaal Onderwijsakkoord dat in september 2013 gesloten wordt - en waar de Algemene Onderwijsbond z’n handtekening niet onder zet - komt te staan dat 40 procent van de leraren zich moet hebben ingeschreven in het vrijwillige register om te kunnen spreken van draagvlak onder leraren. Het kan dan ‘algemeen bindend’ verklaard worden Uit een juridische reconstructie blijkt dat deze optie door juristen van de Onderwijscoöperatie op een later moment niet wenselijk wordt geacht. Dat heeft twee redenen. Allereerst zou dit leiden tot te veel juridische belasting voor de Onderwijscoöperatie. Daarnaast zou er dan een belangenverstrengeling ontstaan bij de vakbonden, die dan vanuit de vakbond de leraren moeten verdedigen die zij vanuit de Onderwijscoöperatie aan de beroepsstandaard moeten houden.

Maar er staat ook in dat de staatssecretaris ‘andere instrumenten’ in zal zetten om het lerarenregister in 2017 verplicht te maken als niet genoeg leraren zich vrijwillig inschrijven.

Die 40 procent wordt bij lange na niet gehaald. Aannemelijker is dat Daarover schreef ik eerder deze factcheck. slechts 5 procent van de leraren zich vrijwillig registreert. Dus besluit Dekker ‘andere instrumenten’ in te zetten: hij verplicht het register. Die reconstructie werd gemaakt door Renée van Schoonhoven, die nauw betrokken was bij de totstandkoming van de wet. Zij schrijft dat er drie manieren zijn waarop het register wettelijk verankerd kan worden: privaatrechtelijk, publiekrechtelijk en met de Onderwijscoöperatie als Zelfstandige Bestuursorganisatie (ZBO).

De ZBO-variant valt af omdat het Rijk minder ZBO’s wil.

De privaatrechtelijke variant wordt door juristen van de Onderwijscoöperatie niet wenselijk geacht. Dat heeft twee redenen. Allereerst leidt dit tot te veel juridische belasting voor de Onderwijscoöperatie. Daarnaast zou er dan een belangenverstrengeling ontstaan bij de vakbonden, die dan vanuit de vakbond de leraren moeten verdedigen die zij vanuit de Onderwijscoöperatie uit het register zetten.

De Onderwijscoöperatie blijkt ‘geen uitdrukkelijk tegenstander’ van de publiekrechtelijke variant.
dat Een ‘publiekrechtelijk’ register. de enige manier is om het op dat moment te verplichten.

Daardoor komt de Onderwijscoöperatie in het nauw. Er is nog lang geen draagvlak onder leraren, maar als ze niet akkoord gaat met de eis van Dekker staat ze helemaal met lege handen.

Dekker voert de druk op. Uit geopenbaarde documenten blijkt Wanneer de Onderwijscoöperatie eisen stelt aan het ministerie, schrijft een medewerker van het ministerie in een e-mail: ‘De OC weet dat dat consequenties kan hebben voor de subsidierelatie.’ In een nota uit diezelfde periode staat dat de Onderwijscoöperatie een week de tijd krijgt om aan te geven of ze wil blijven meewerken. Daarbij staat in de kantlijn gekrabbeld: ‘Hoezo? Willen ze eruit? Dat heeft consequenties voor financiën OC!’ [OC = Onderwijscoöperatie, JV] die de Onderwijscoöperatie van het ministerie krijgt als ze niet meer mee wil werken aan het register. De coöperatie is daarvan op de hoogte. In een andere nota aan Dekker Zo’n alternatief ligt overigens niet voor de hand, merkt ook het ministerie op. Daarmee zou het ministerie de vakbonden tegen zich krijgen. Bovendien zou het nog jaren duren voor de nieuw op te richten vereniging draagvlak zou hebben binnen het onderwijs, en zoveel tijd heeft Dekker niet. als ze niet mee wil werken: ‘Een alternatief blijft de groene weide; OCW [het ministerie, JV] stimuleert dan actief de vorming van een vereniging van leraren die het register beheert.’

De Onderwijscoöperatie mag stoom afblazen

Alleen de Algemene Onderwijsbond (AOb) - de grootste lerarenvakbond en lid van de Onderwijscoöperatie - Ze is ook de enige partij binnen de Onderwijscoöperatie die dat kan doen, omdat ze het Nationaal Onderwijsakkoord niet heeft ondertekend. Ze is ook de enige partij die dat kan, omdat ze het Nationaal Onderwijsakkoord niet ondertekend heeft.

Wanneer Dekker een wetsvoorstel aan de coöperatie stuurt dat geheel in de VVD-lijn alleen bijscholing verplicht, schrijft de voorzitter van de AOb, Walter Dresscher, een brief aan de Onderwijscoöperatie. De boodschap: dit voorstel kan niet op draagvlak onder AOb-leden rekenen.

De Onderwijscoöperatie wordt uitgenodigd op het ministerie en Dresscher komt ook. ‘Dan komen ze inderdaad voor de harde lijn: honoreer onze wensen, anders gaan we niet akkoord,’ staat in een interne mail van het ministerie. De gespreksvoorbereiding voor de directeur-generaal van het ministerie van Onderwijs, Alida Oppers, begint met de opmerking dat de Onderwijscoöperatie de gelegenheid krijgt ‘om stoom af te blazen.’

Dresscher wil alleen akkoord gaan als er nog iets geregeld wordt: een wet die de docent meer verantwoordelijkheid geeft over wat er in de klas gebeurt. Dat wetsvoorstel, gemaakt door toenmalig minister van Onderwijs Ronald Plasterk (PvdA), circuleert ook al jaren in Den Haag. Het is een belangrijke wet voor de AOb: in de jaren negentig hebben de werkgeversorganisaties veel macht gekregen, ten koste van de leraar, en deze wet kan daar iets aan doen. De AOb wil dus die wet én de registerwet samenvoegen.

Alida Oppers schrijft dat de Onderwijscoöperatie de gelegenheid krijgt ‘om stoom af te blazen’

Hoewel Dekker dat niet ziet zitten, heeft hij een goed argument om dat toch te doen: de wet van Plasterk kan naar verwachting in zijn eentje ook rekenen op In een nota (15 december 2014) staat daarover: ‘Wanneer we de combinatie van deze twee wetten niet zouden maken, zou het oorspronkelijke wetsvoorstel Versterking positie leraren weer in het spel komen. Ook dat wetsvoorstel kan naar verwachting op een meerderheid in de Tweede Kamer rekenen, hoewel er dan bij de parlementaire behandeling door de inhoudelijke verwevenheid alsnog kan worden voorgesteld om een koppeling tussen de wetten te maken.’ Waarom zou Dekker zijn eigen wet laten sneuvelen op een paar eisen die toch wel door de Tweede Kamer zouden komen?

Voorzitter van de Onderwijscoöperatie Joost Kentson mailt het ministerie dat hij best wat voorbeelden wil geven van wat het zal betekenen als delen van de wet-Plasterk in de registerwet worden opgenomen. ‘Dan zul je zien dat het geen formuleringen zijn die de autonomie van de leraar onevenredig vergroten ten opzichte van de situatie zoals deze nu is.’

Een belangrijke vraag is of er ook onbevoegde leraren in het register mogen staan. De vakbonden willen dat absoluut niet, maar de werkgeversorganisatie wil dat wel.

Een politiek compromis volgt: er komt een apart register, het ‘registervoorportaal,’ voor leraren die (nog) niet bevoegd zijn. Als AOb-voorzitter Walter Dresscher rechtstreeks met staatssecretaris Dekker belt om zich daarover te beklagen, zegt deze dat hij alsnog al zijn mensen van het lerarenregister afhaalt als de AOb niet akkoord gaat.
komt er een akkoord. Het register komt in handen van de minister en Dresscher Leraren krijgen zelfstandige verantwoordelijkheid over het beoordelen van onderwijsprestaties van leerlingen.

Verder moeten leraren met hun bestuur een ‘professioneel statuut’ opstellen. Daarover schrijft de Onderwijscoöperatie: ‘Met het invoeren van de Wet Beroep Leraar en het lerarenregister heb je als leraar zeggenschap op vakinhoudelijk, vakdidactisch en pedagogisch gebied, dat wil zeggen je bepaalt samen met je collega’s én met je schoolbestuur:

A. Wat de inhoud van de lesstof is,
B. Op welke manier de lesstof wordt aangeboden aan de leerlingen en welke middelen daarbij gebruikt worden,
C. Welke pedagogisch-didactische aanpak er op school gebruikt wordt en op welke manier deze aanpak toegepast wordt (zoals bij leerlingenbegeleiding en oudercontacten),
D. Hoe jij en je collega’s, als onderdeel van het lerarenteam, jullie bekwaamheid onderhouden, waarbij jullie rekening houden met de onderdelen A, B en C.’
Op 1 augustus 2019 moeten alle leraren ingeschreven staan. Een leraar die niet bevoegd is, zich niet bijschoolt óf niet aan Die professionele standaard moet nog ontwikkeld worden. voldoet, mag per 1 augustus 2027 De Onderwijscoöperatie laat mij in een reactie weten dat wat in het regeerakkoord staat niet helemaal klopt. Ze schrijft dat wie niet aan de eisen voldoet een aantekening krijgt en dat het aan de sociale partners is om te bepalen wat de rechtspositionele gevolgen zijn. Ze heeft gelijk, en toch heb ik dat niet overgenomen. Het is namelijk wel degelijk de bedoeling dat iemand die niet aan de eisen voldoet, vanaf 1 augustus 2027 geen les meer mag geven. Als de sociale partners dat niet willen, dan heeft het register helemaal geen status. De Onderwijscoöperatie schrijft nota bene op de eigen site: ‘Een leraar krijgt een aantekening in het register als hij na vier jaar niet de benodigde registerpunten cq uren heeft behaald om te kunnen herregistreren. Tot 2027 heeft dit nog geen consequenties, vanaf 2027 wél. Vanaf dat jaar mag een docent met een aantekening niet meer voor de klas staan.’ In de wet staat dat het lerarenregister ook tot doel heeft gegevens te verstrekken aan de minister (en de Onderwijsinspectie) voor beleidsvorming. Van een register van en voor de leraar is geen sprake meer.

De Onderwijscoöperatie wordt ook steeds meer ‘door het ministerie’

Is het register dan misschien dóór de leraar? Zo moet het in ieder geval wel overkomen. Na de behandeling van de wet in de Tweede Kamer, starten het ministerie en de Onderwijscoöperatie afzonderlijk een mediacampagne. In Het communicatiebeleid is bovendien in handen van iemand die daarvoor werkte als senior communicatieadviseur bij het ministerie van Onderwijs. staat: ‘Gezamenlijk afzenderschap van activiteiten is niet wenselijk omdat dat het beeld kan versterken dat het register van overheidswege wordt opgelegd.’

De site van de Onderwijscoöperatie komt vol te staan met blije leraren die hun collega’s vertellen waarom het lerarenregister zo’n goed idee is. Een docent noemt het register ‘een feest waard!’ en een ander ziet het als ‘een schouderklopje aan zichzelf.’ Uit een begroting in handen van De Correspondent blijkt dat dit in 2016 306.500 euro moet kosten, in 2017 1.263.700 euro, in 2018 799.200 euro. leraren die scholen langsgaan om hun collega’s Uit een intern projectplan van 26 augustus 2016, iets meer dan een maand voor de behandeling van de wet in de Tweede Kamer, blijkt wederom dat er onder leraren nog geen draagvlak is. In een risicoanalyse schrijft de Onderwijscoöperatie over het volgende risico: ‘De projectdoelstelling wordt niet behaald door een gebrek aan draagvlak bij leraren waardoor het register niet wordt ervaren als van, voor en door de beroepsgroep en leraren het niet op waarde schatten.’ Ter preventie wordt voorgesteld dat collega’s worden ingezet om leraren te informeren en het gesprek aan te gaan. dat het register een goed idee is.

Uit de openbaargemaakte documenten blijkt verder dat het ministerie de communicatie van de Onderwijscoöperatie en haar lidorganisaties Uit een media-analyse d.d. 14 april 2016, o.a.: De Onderwijscooperatie en de AOb gaan later nog in op het Lerarenregister. Daarbij wordt de boodschap dat het register onder de zeggenschap van leraren komt en de professionele ontwikkeling wettelijk verankert (sic) herhaald en benadrukt. Er zijn drie uitzonderingen:

- Voorzitter OC Joost Kentson is bij Science Guide op 7 oktober 2015 kritisch over de rol van de overheid bij het register. Hij vindt de gekozen oplossing niet de beste, noemt de rol van de overheid ‘een verstoring’, en dat de nadruk vooral lag op het aantal geregistreerde leraren maar niet op de kwaliteitsagenda van het register. Ook zegt hij dat het uitgangspunt van de OC was en blijft dat het een vrijwillig register moet zijn, ‘zodat leraren zich intrinsiek gemotiveerd inschrijven’.

- Vaste columnist van het Onderwijsblad, Ton van Haperen, publiceert 12 december een negatieve column in het Onderwijsblad nummer 20. Deze verschijnt ook online. Hij vindt dat de ontwikkeling in het beroep op de werkvloer plaatsheeft, bij de baas en met je collega’s. Di tis niet niet, Van Haperen is altijd tegen het register geweest. AObtweets retweet zijn tweet over de verschijning van de column. Vermoedelijk is dit een automatisme en geen blijk van instemming met hetgeen Van Haperen schrijft. Een check in Coosto laat zien dat AObtweets altijd zijn tweet over zijn nieuwe column retweet.

- Op de site nodigt de AOb op een open manier uit voor uitleg over het register: ‘Wil je op de hoogte zijn van de stand van zaken rondom het Lerarenregister?’. In de nieuwsbrief AOb MBO april 2016 staat echter: ‘De overheid verplicht (cursief) onderwijsgevenden in 2017 tot registratie in het Lerarenregister’. Dit druist in tegen de afspraak over de communicatie. Kennelijk is degene die de nieuwsbrief maakt een andere dan de verantwoordelijke voor de site en wellicht niet op de hoogte van de afspraak.
Dat gaat ver: wanneer het Twitteraccount van de AOb een kritisch column van vaste columnist Ton van Haperen van het Onderwijsblad retweet, checkt het ministerie of het hier om een retweet ter instemming of om een automatische retweet gaat.

Niet alleen wat betreft de media-uitlatingen van de Onderwijscoöperatie houdt het ministerie de touwtjes stevig in handen. Een ambtenaar is als ‘programmamanager Registers en Beroepsorganisatie’ verantwoordelijk voor de totstandkoming van het Specifieker: zij is sinds mei 2014 verantwoordelijk voor de invoering van een publiekrechtelijk register. Een ander is als ‘programmadirecteur Lerarenregister voor Krachtig Leraarschap’ verantwoordelijk voor de invoering van het lerarenregister, en zit sinds april 2016 bij het overleg tussen de voorzitter van de Onderwijscoöperatie en directeur-generaal Alida Oppers. Oppers schuift tegenwoordig aan bij bestuursvergaderingen van de Onderwijscoöperatie als het over het lerarenregister gaat.

Misschien niet zo gek: als de voorzitter van een van de lidorganisaties van de Onderwijscoöperatie, Ad Verbrugge (BON), tijdens een heidag in 2014 zegt dat er meer leraren in de werkgroepen van de coöperatie zouden moeten zitten, krijgt hij als reactie dat leraren niet ingezet kunnen en willen worden op beleidsmatige onderdelen binnen de werkprocessen. zitten dus medewerkers van het ministerie.

Rutte III wil van het register een succes maken

En de leraar? Die ziet op een dag dat hij zich van ‘de Onderwijscoöperatie,’ die ‘van, voor en door de leraar’ claimt te zijn, moet aanmelden voor een register. Ook voor het nieuwe kabinet is ‘een harde voorwaarde’ voor de verdere uitwerking van het lerarenregister dat het straks ‘van, voor en door de leraar’ is.

Maar dit register kan dat nooit zijn: er is geen draagvlak onder leraren. Niet omdat ze graag dwarsliggen, maar omdat ze vinden dat professionaliteit niet opgelegd kan worden: het standpunt dat tot aan Rutte II voornamelijk door de PvdA verdedigd is.

In een brief aan de Tweede Kamer verzet een groep leraren zich nadat de wet is aangenomen dan ook tegen het register. Zij schrijven: ‘Wij willen [...] een duidelijke raadpleging van leraren om het draagvlak voor een lerarenregister te onderzoeken. Als dat draagvlak bestaat, zal de beroepsgroep het opzetten van een register zelf ter hand nemen. Dan pas kan worden gesproken over een register ‘van, voor en door’ de leraar.’

Wil de nieuwe regering echt een register dat van, voor en door de leraar is, dan zal ze eerst een eind moeten maken aan het huidige register.

De Onderwijscoöperatie en het ministerie van Onderwijs zijn gevraagd om een reactie op dit stuk. De Onderwijscoöperatie is niet inhoudelijk op het stuk ingegaan, het ministerie van Onderwijs wil niet reageren.

Lees ook:

Het register waar geen leraar aan wil, komt er toch Vandaag stemde de Eerste Kamer voor een wet die leraren onder andere verplicht zich bij te scholen. Dat blijkt vooral een wens van het ministerie van Onderwijs. Niet zo gek dus dat leraren er weinig trek in hebben. Lees de analyse hier terug Uit het regeerakkoord spreekt het optimisme van de wanhoop Behoorlijk tegenstrijdige wensen van vier partijen zijn met veel geduld samengebracht. En passant gaat het nieuwe kabinet veel maatregelen van het vorige kabinet terugdraaien of verzachten, al zegt niemand dat hardop. Politiek Dagboek over het dinsdag gepresenteerde regeerakkoord. Rutte III, remmend voorwaarts! Lees het verhaal hier terug