Tachtig jaar is Aaltje Geis geworden. Tweeënhalve maand geleden, op 1 december 2013, overleed ze in het Amsterdamse Sarphatihuis waar ze verbleef op een gesloten afdeling. Drie kinderen liet ze na: Richard (55), Ronald (54) en Jacqueline (50).

Het regent pijpenstelen als ik op een vrijdagochtend in februari aanbel bij de portiekflat van dochter Jacqueline in de Conradstraat in Amsterdam-Oost. Ze woont op de bovenste verdieping.

In de huiskamer staat een tent, waar speelgoed van haar kleinzoon Donny (3) in ligt. ‘Het is geen gemakkelijk kind,’ zegt Jacqueline, die sloffen draagt, een zwarte legging en een pluizige wollen trui. Haar dochter Melanie - Donny’s moeder – kampt met allerlei problemen, psychisch en fysiek van aard. Zo heeft ze last van een tot driemaal toe gebroken knie. Vandaar dat het kind veel bij zijn oma is.

Op de skailederen bank zit Jacquelines broer Ronald, een vrijgezel met een kaal hoofd die in de Huidekoperstraat woont. Hij heeft bergschoenen aan en een zwarte broek met diepe zakken aan de zijkanten. Richard, de oudste broer die op 18 december de verschrikkelijke ontdekking deed, kon vandaag helaas niet komen. ‘Voor hem is het te pijnlijk,’ zegt Ronald.

Een vrouw met geheimen

Aaltje Geis was een vrouw met geheimen. ‘Ze sprak veel, maar uiteindelijk zei ze weinig,’ zegt Jacqueline. Lange tijd dachten de kinderen dat ze van dezelfde vader waren. ‘Omdat we alle drie een kleurtje hebben,’ zegt Ronald. ‘Als we vroegen wie die man dan was, begon ze geheimzinnig te lachen,’ zegt Jacqueline.

Toen hij ouder was ging Ronald op onderzoek uit. Hij ontdekte dat zijn vader, een Surinamer, niet de vader van Richard en Jacqueline was. ‘En de vader van Richard bleek ook niet de vader van Jacqueline te zijn.’

‘Mijn moeder was een losbandige vrouw, laten we het daar op houden’

Hun moeder kwam uit een Amsterdams gezin van dertien kinderen. Haar ouders verkochten groente en fruit, op vrijdag liepen ze met een handkar naar de Dappermarkt. Begin jaren vijftig vond Aaltje een baan in een Zaanse beschuitfabriek. In het weekeinde ging ze dansen op de Zeedijk, bij club Casablanca, waar livemuziek werd gespeeld. Daar kwamen veel Surinaamse contractarbeiders. Ze droegen extravagante pakken en dansten als de besten.

Eén van hen was Charles Nash, een lasser die in het weekeinde vertier zocht met zijn kameraden. Hij was een van de mannen die hun moeder aan de haak wist te slaan. Ronald: ‘Charles Nash is mijn vader. Toen hij terugging naar Suriname had hij geen idee dat ze zwanger was, pas jaren later kwam hij erachter.’

Ronald heeft zijn vader één keer gezien, Jacqueline en Richard hebben hun vaders nooit ontmoet. Dat waren eveneens Surinamers die hun moeder in de Casablanca oppikte. Jacqueline: ‘Mijn moeder was een losbandige vrouw, laten we het daar op houden.’

‘Dat met onze stiefvader was puur praktisch’

Na de geboorte van haar kinderen werkte Aaltje Geis niet meer. ‘Met een uitkering moest ze rond zien te komen. Het was arme troef,’ zegt Ronald. Toen hij negen was knoopte hun moeder een relatie aan met een getrouwde man afkomstig uit Limburg die drie kinderen had: André Simons, werkzaam bij de NDSM-scheepswerf in Amsterdam-Noord.

Jacqueline gelooft niet dat haar moeder verliefd was op de Limburger. ‘Ze viel op buitenlanders, net als zo’n beetje al haar zussen.’ De een is met een Chinees, de ander met een Javaan, weer een ander met een Griek. ‘Dat met onze stiefvader was puur praktisch, om ons een toekomst te kunnen bieden.’

De blanke speelkameraadjes voelden aan hun haar en veegden over hun huid. ‘Om te zien of het afgaf’

Met de Limburger betrok ze een huurwoning in de Amsterdamse Marco Polostraat. ‘In die tijd had je nog echt racisme,’ zegt Jacqueline. ‘Vaak zeiden buurtkinderen: hoe kan het dat je vader en moeder blank zijn en jullie bruin?’ Als ze werden uitgescholden stormde Aaltje naar buiten. ‘Ze moesten niet aan haar kinderen komen, dat was heel duidelijke taal gewoon.’

In de zomer gingen ze naar een camping in de buurt van Nunspeet. ‘Het was geweldig daar,’ zegt Ronald. Hun moeder en stiefvader zaten op campingstoelen voor de stacaravan, zij speelden van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. ‘Je had daar kinderen die nog nooit een bruine hadden gezien,’ zegt Jacqueline. De blanke speelkameraadjes voelden aan hun haar en veegden over hun huid. ‘Om te zien of het afgaf,’ zegt Ronald.

Portret van Aaltje Geis in het huis van Jacqueline. Foto: Martijn van de Griendt
Portret van Aaltje Geis in het huis van Jacqueline. Foto: Martijn van de Griendt

Koken met staar

Aaltje Geis was een propere vrouw. ‘Je moest het niet wagen om met schoenen aan naar binnen te komen.’ De beeldjes in de vensterbank blonken, nergens was een pluisje stof te bekennen. Bij tijd en wijle vertoonde hun moeder vreemd gedrag. ‘Dan sloot ze zich op in het toilet en hoorden we haar hardop praten.’

Af en toe verdween ze voor een aantal weken. Hun stiefvader zei dan dat ze overspannen was en ergens tot rust moest komen. ‘Later ontdekten we dat ze in allerlei inrichtingen opgenomen is geweest.’ Als ze terugkeerde naar de woning in de Marco Polostraat deed hun stiefvader er alles aan om het haar naar de zin te maken.

Op een dag kwam de hand van hun stiefvader op de NDSM-werf in een zaagmachine. Hij verloor enkele vingers en werd arbeidsongeschikt verklaard. ‘Dat is een keerpunt voor mijn moeder geweest,’ zegt Jacqueline. ‘Ze kon er niet tegen dat ze die vent ineens de hele dag om haar heen had.’

Er ontstonden ruzies. De stiefvader kreeg te kampen met staar, waardoor hij uiteindelijk vrijwel niets meer zag. Het huis verslonsde. Steeds vaker moesten Ronald en Jacqueline erheen om schoon te maken en de boel tot bedaren te brengen. Meestal zat Aaltje te roken in een stoel voor het raam. Ze doofde haar sigaretten niet in een asbak, maar schoot ze brandend de kamer in.

Ronald zorgde dat er iemand van de thuiszorg kwam. ‘Een aardige dame, tot we erachter kwamen dat ze geld pikte uit de huishoudportemonnee.’ Aaltje kookte niet, dat deed hun stiefvader. Door de staar ging dat steeds moeizamer, waarop Ronald een maaltijdservice inschakelde. ‘Maar mijn moeder vond die prakkies niet te vreten. Dus joeg ze hem weer de keuken in, met alle risico’s van dien.’

Beroepsgeheim

Ronald woonde in die tijd aan de Borneolaan. Hij verdiende wat geld met de handel in lp’s en stripboeken. Toen er schuin onder hem een woning vrijkwam, zorgde hij, door middel van woningruil, dat zijn moeder en stiefvader daar konden intrekken. ‘Op die manier kon ik beter toezichthouden.’

Het was altijd weer de vraag wat hij aan zou treffen als hij de woning betrad. ‘Je moest erbovenop zitten bij die twee, ze gingen elkaar zowat te lijf.’ In 2001 kreeg hun stiefvader een maagbloeding waarna hij overleed.

Het ging bergafwaarts met hun moeder. Een Riagg-arts vertelde dat hun moeder schizofreen was. ‘Dat was de eerste keer dat we ervan hoorden,’ zegt Ronald. Hij begrijpt niet waarom de Riagg-arts het niet eerder meldde. ‘Het zal wel met het medisch beroepsgeheim of zoiets te maken hebben.’

‘We hebben ons gelijk laten testen,’ zegt Jacqueline. ‘Want schizofrenie schijnt erfelijk te zijn.’ Volgens haar hebben de tests uitgewezen dat zij en haar broers de aandoening niet onder de leden hebben.

Lang niet gezien

De situatie aan de Borneolaan werd onhoudbaar. Ronald: ‘Ze schoot steeds meer brandende peuken de kamer in.’ Hij meldde zijn moeder aan bij het Ingenhouszhof, een zorginstelling in Watergraafsmeer. Daar kreeg Aaltje een eigen kamer. Het personeel hield een oogje in het zeil.

Meerdere keren per week zocht Ronald zijn moeder op. ‘Dan gingen we koffiedrinken. Ze was dol op koffiedrinken. En winkelen, daar hield ze ook erg van.’ Als hij haar bezocht op haar kamer vroeg ze wat hij wilde drinken. ‘Dan zei ik: doe maar een cola, waarop zij terugkeerde met een blikje chocolademelk.’

Ook in het Ingenhouszhof schoot Aaltje Geis brandende sigaretten door de kamer. De verplegers zeiden dat hun moeder aan het dementeren was. Het was beter als Ronald en Jacqueline haar overbrachten naar een gesloten afdeling. Ze kozen voor het dr. Sarphatihuis aan de Roetersstraat. ‘Ramses Shaffy heeft daar ook gezeten,’ zegt Ronald. ‘We dachten dat ze in het Sarphatihuis in goede handen was.’

In het Sarphatihuis, waar ze vier jaar geleden terechtkwam, had Aaltje Geis geen eigen kamer. Ze sliep op een zaal waar meerdere patiënten lagen. Boven het bed hing een plankje waar Ronald en Jacqueline drie vaasjes en een paar foto’s voor haar hadden neergezet.

‘Kwam ik terug van de wc, zei ze: ‘Hé Ronnie, lang niet gezien’

Het was niet de bedoeling dat de kinderen hun moeder op zaal bezochten. ‘We ontmoetten haar in de gezamenlijke ruimte waar ze in een rolstoel of in haar bed naartoe werd gereden.’ Het viel Ronald op dat zijn moeder steeds magerder werd, ze at en dronk niet meer. Aan haar voeten bungelden schoenen die drie maten te groot waren. Ze had kleding aan die niet van haar was. ‘Waarschijnlijk van een overleden patiënt.’

Jacqueline was er vorig jaar maart voor het laatst, toen haar moeder tachtig werd. ‘Er stond een tafeltje waar een omgevallen kop thee op lag. De thee druppelde zo in mijn moeder d’r bed.’ Haar moeder herkende haar nog wel. ‘Maar als ze even wegkeek en mij opnieuw zag dacht ze dat ik net was binnengekomen.’

Ronald kon de situatie ook niet goed meer aan. ‘Kwam ik terug van de wc, zei ze: ‘Hé Ronnie, lang niet gezien.’ Terwijl ik twee minuten daarvoor nog naast haar zat! Als ik was vertrokken wist ze niet eens meer dat ik was geweest.’ In de gezamenlijke ruimte bevonden zich ook nog dertig, veertig andere patiënten. ‘Een van hen blèrde de hele tijd: ‘Ik wil dood, ik wil dood.’ Je ging daar niet met een goed gevoel vandaan.’

Van links naar rechts: Aaltje Geis, Jacqueline, stiefvader André Simons, Ronald en Richard. Foto: Martijn van de Griendt
Van links naar rechts: Aaltje Geis, Jacqueline, stiefvader André Simons, Ronald en Richard. Foto: Martijn van de Griendt

Niets van je laten horen

Het contact met de familie verliep via Ronald. Het Sarphatihuis beschikte over zijn adres (het adres van Jacqueline was hen ook bekend) en over het nummer van zijn mobiele telefoon. Een jaar geleden, toen hij aan de slag ging als stadswacht, had hij de telefoon weggedaan. ‘Ik gebruikte die telefoon nooit en van het stadsdeel mochten we er geen bij ons hebben.’

Af en toe stuurde het Sarphatihuis een brief. In oktober 2013 schreef het afdelingshoofd dat na ‘een kleurrijke herfst’ de feestdagen alweer bijna voor de deur stonden. Om de bewoners ‘traditiegetrouw’ weer ‘gezellige en huiselijke feestdagen’ te bezorgen zou er tien euro van de bewonersrekening worden afgeschreven om een cadeautje te kunnen kopen voor onder de kerstboom. Als Ronald daarmee akkoord ging – en dat ging hij – hoefde hij niets van zich te laten horen.

Een week voor Kerstmis wilde Ronald zijn moeder opnieuw bezoeken. Zijn oudere broer Richard, die zijn moeder minder vaak bezocht, liet weten dat hij erheen wilde. ‘Dus ik dacht: dan kan hij beter gaan, dan kom ik tijdens de kerstviering wel.’

Op 18 december liep Richard met een doosje bonbons van het merk Merci het Sarphatihuis binnen. Toen een verpleegster hoorde voor wie hij kwam reageerde zij ontdaan. ‘Uw moeder is reeds overleden,’ sprak ze. Volgens haar hadden ze er alles aan gedaan om met de nabestaanden in contact te komen. Aaltje Geis was intussen ook al gecremeerd, een paar dagen geleden. Als ze de urn wilden ophalen moesten ze eerst een afspraak maken.

Even later stond Richard weer op straat, met het doosje Merci in zijn handen. Hij belde Jacqueline. ‘Ik zakte door de grond toen ik het hoorde.’ Ze haastte zich naar het huis van Ronald, die zijn oren niet kon geloven.

‘Ze wilde absoluut niet gecremeerd worden,’ zegt Jacqueline. ‘Toen ze nog goed bij haar verstand was heeft ze dat meerdere keren gezegd.’ Ronald begrijpt niet waarom het Sarphatihuis geen brief heeft gestuurd. ‘Of dat ze iemand langs sturen, ik woon er zo’n beetje om de hoek!’

Het is waardig verlopen

Met haar dochter Melanie ging Jacqueline naar het Sarphatihuis om verhaal te halen; Ronald was daar ‘emotioneel’ niet toe in staat. Ze werden opgevangen door een afdelingshoofd en een medewerkster, zekere Yvonne. Die zeiden dat haar moeder vredig was ingeslapen. Patricia van Grieken, de ‘bewindvoerder’ van haar moeder, was als enige bij de crematie aanwezig geweest, die ‘waardig’ zou zijn verlopen.

‘Ze wilde helemaal niet worden gecremeerd,’ tierde Jacqueline. Het afdelingshoofd zei dat Patricia van Grieken er alles aan had gedaan om met de kinderen in contact te komen. ‘Waar is die Patricia?’ zei Jacqueline. ‘Ik wil haar spreken.’ Dat kon niet, zei het afdelingshoofd, want Patricia was op vakantie. De urn kon om die reden ook niet worden meegegeven, want als bewindvoerder moest Patricia daar toestemming voor geven. ‘Ik schakel een advocaat in,’ riep Jacqueline, ‘jullie horen hier nog van.’

‘We willen weten wat er met onze moeder is gebeurd’

De pers kreeg lucht van de zaak. In De Telegraaf verscheen een bericht en ook de Amsterdamse zender AT5 aan de kwestie. Op internet volgde een stortvloed aan reacties. De kinderen waren hypocriet. Ze hadden hun moeder laten wegkwijnen en een advocaat ingeschakeld om geld op te eisen. ‘We willen helemaal geen geld,’ zegt Ronald. ‘We willen weten wat er met onze moeder is gebeurd.’

Op 2 januari ontvingen Ronald en Jacqueline een brief van het Sarphatihuis. Daarin stond dat de nalatenschap ‘alleen bestaat uit een klein bedrag in contanten, waar ook nog enkele kosten van voldaan dienen te worden.’ Als ze mevrouw Van Grieken zouden machtigen, zou zij de boel verder afwikkelen. Aan de crematie zelf heeft het Sarphatihuis geen kosten gehad; Aaltje Geis had een uitvaartverzekering.

Jacqueline toont een foto van de urn, die bij broer Richard thuis staat, met daarin de as van Aaltje Geis. Foto: Martijn van de Griendt
Jacqueline toont een foto van de urn, die bij broer Richard thuis staat, met daarin de as van Aaltje Geis. Foto: Martijn van de Griendt

Afscheid nemen

Op 14 januari kwam er opnieuw een brief. Dat er in februari een bijeenkomst in het Sarphatihuis zou worden gehouden om alle bewoners die in oktober, november en december overleden te herdenken. ‘Wij stellen u hiervan op de hoogte omdat u in de bovengenoemde periode afscheid heeft moeten nemen van iemand die u dierbaar is.’ Jacqueline: ‘Hoe halen ze het in hun hoofd om ons zo’n brief te sturen!’

De advocaat waar ze eerder mee dreigden, hebben ze nog niet ingeschakeld. Wel hebben ze een klacht ingediend bij de klachtencommissie van het Sarphatihuis. Momenteel doet een verpleegkundig specialist onderzoek. Aan het einde van deze maand zal deze specialist verslag uitbrengen. De kinderen worden dan uitgenodigd voor een gesprek, zo valt te lezen in een brief van 22 januari.

Thuis bel ik met Vera van Voskuijlen, de ‘locatiemanager’ van zorginstelling Amsta, waar het Sarphatihuis onder valt. Zij heeft de brief van 22 januari ondertekend. ‘Mevrouw Van Voskuijlen is op vakantie,’ zegt haar secretaresse.

Wat later belt een voorlichtster. Zij vertelt dat Amsta op 1 december geprobeerd heeft om Ronald te bellen. Omdat zijn nummer niet werkte, werd Patricia van Grieken ingeschakeld, omdat die de zogenoemde ‘eerste contactpersoon’ van Aaltje Geis was. ‘Het is dan de taak van Patricia om eventuele nabestaanden op te sporen,’ zegt de voorlichtster. Amsta overweegt, naar aanleiding van het door hen betreurde voorval, de voorschriften aan te scherpen. ‘Ik kan me voorstellen dat het beter is om in de toekomst in zo’n geval toch ook een brief te sturen.’

Het bewind van Van Grieken

Bewindvoerster Patricia van Grieken is niet in dienst van het Sarphatihuis. In Almere heeft ze haar eigen bureau gespecialiseerd in ‘mentorschap, bewindvoering en curatele.’ Mensen die wilsonbekwaam zijn, zoals het geval was met Aaltje Geis, kunnen op last van de rechter onder haar bewind komen te staan.

In 2001 heeft Van Grieken de Nederlandse Vereniging voor Professionele Mentoren (NVPM) mede-opgericht. Om de ‘kwaliteit van de professionele mentor’ vorm te geven. Omdat was gebleken dat voor veel mentoren vaak onduidelijk was ‘wat je nu wel of niet moet doen.’

Ik wil haar vragen of ze ook vindt dat een professionele mentor best wat meer kan doen dan bellen met een nummer dat niet bestaat. Maar Patricia van Grieken neemt haar telefoon niet op en reageert niet op mailtjes. Het antwoord van haar kantoor: ‘U kunt haar het beste een brief sturen.’

  Nog een verhaal van Joris van Casteren lezen? 3 mei 2013. Omroep Brabant meldt dat er een koperdief om het leven is gekomen. 'Boontje komt om zijn loontje,' luiden veel reacties. Van Casteren dook in de geschiedenis van het voorval en zag de tragiek van een koperdief. Lees over de tragiek van een koperdief