Lang geleden, een jaar of tien om precies te zijn, vertelde een New Yorkse dame mij dat er eigenlijk maar één goede reden is om te trouwen. Omdat het op een gegeven moment gênant wordt dat je het huis uit moet om op zoek te gaan naar seks.

Ik was niet geheel overtuigd van deze redenering. Ik dacht, overmoedig ongetwijfeld, dan zet je je toch gewoon over die gêne heen.

Ik vond de dame aantrekkelijk en op een middag schreef ik haar vanuit Namibië, waar ik toen verbleef: ‘I’d like to fuck you.’

Waarop zij antwoordde: ‘I’m on deadline.’ Ze was namelijk een journalist, zij het met literaire ambities. Voor het misverstand kan ontstaan dat ik dergelijke woorden regelmatig in de mond neem: de dame in kwestie was getrouwd geweest. Zij vond twee keer seks per dag normaal, ’s ochtends en ’s avonds. Maar een paar weken na de bruiloft begon haar man aan seksweigering te doen, wat tot de scheiding leidde. Tijdens een wandeling door Manhattan had zij mij uitvoerig over deze seksweigering en seksweigeraar verteld. Misschien had ik haar toen meteen een zoentje moeten geven, maar ik ben niet zo assertief. Daarom schreef ik haar een paar weken later vanuit Namibië die bewuste e-mail. Jaren later hebben we nog eens getafeltennist.

Aan deze ontmoeting moest ik weer denken toen ik verleden week ’s avonds laat met een jonge vrouw in een goed restaurant zat te dineren. Er waren nog maar weinig mensen. Naast ons zaten vier jonge, vermoedelijke hippe, nogal luidruchtige mensen.

We bestelden ons eten en op een gegeven moment zei mijn tafelgenote: ‘De vorige keer dat wij afspraken probeerde je mij te kussen.’

Die opmerking verraste mij. Het was waar dat ik had geprobeerd haar te kussen, maar ze had haar hoofd afgewend en ik meende de situatie te hebben opgelost als een gentleman. Ik hervatte het gesprek, schonk haar wat bij en maakte een opmerking over Twelve Years a Slave, die we die avond samen hadden gezien. De poging tot een kus kwam voort uit een misverstand; ze had nogal enthousiast gereageerd op mijn uitnodiging om bij mij thuis nog wat te gaan drinken. Een uitnodiging die ik eigenlijk beleefdheidshalve had gedaan.

Ik houd niet van aandringen, en met het klimmen der jaren neemt de onthechting toe. De afwijzing doet nog wel pijn, maar die lijkt minder persoonlijk. De pijn wordt bijna een vorm van exquisiet genot, waarbij de nadruk moet liggen op het woord ‘bijna’. Ik had bijvoorbeeld niet verwacht dat dit kleine onschuldige intermezzo nog eens uitvoerig zou worden besproken.

‘Ik heb het er met mijn moeder en mijn vrienden over gehad,’ zei ze.

Aan de toon van haar stem te horen leek het om een aanranding te gaan, terwijl het toch echt een onschuldige poging tot een kus was geweest.

‘Aha,’ zei ik en doopte wat focaccia in de olijfolie.

‘Ik denk dat we allebei een beetje moeten afkoelen,’ zei ze bij wijze van afscheid

‘Op je blog las ik,’ vervolgde de vrouw, ‘dat je weleens een relatie was begonnen met een van je studenten.’

Het gesprek begon de vorm aan te nemen van een aanklacht. Wat ik vooral vervelend vond, was dat de tafel naast ons volledig was stilgevallen en ons gesprek volgde alsof het om een toneelstuk ging dat door de critici bejubeld was.

‘Dat ligt iets genuanceerder,’ zei ik, ‘de relatie en het contact begonnen lang nadat de colleges waren afgelopen. Bovendien ben jij mijn student niet.’

‘Nee, maar ik ben jonger en onze verhouding is niet gelijkwaardig.’

‘Alle verhoudingen zijn machtsverhoudingen,’ zei ik met volle mond.

De tafel naast ons had inmiddels alle schaamte laten varen.

‘Foucault glimlacht in de hemel,’ antwoordde de vrouw.

‘Wellicht,’ zei ik. Ik kon me nauwelijks voorstellen dat Foucault in de hemel was beland, maar je weet het nooit.

Toen ons hoofdgerecht was geserveerd wilde ze weten wat ik van haar wilde, een vraag waarop je alleen een fout antwoord kunt geven.

‘Ik zoek inspiratie,’ was niet volstrekt onwaar, maar te sleets. ‘Vriendschap’ vond ik te christelijk en ook te oneerlijk; seks was niet het doel, hooguit een neveneffect van nieuwsgierigheid.

‘Ik heb geen goed antwoord op deze vraag,’ antwoordde ik, en op de een of andere manier moest ik weer aan Foucault denken.

Een uur later zaten we in een taxi. ‘Ik denk dat we allebei een beetje moeten afkoelen,’ zei ze bij wijze van afscheid.

Die zin was nog nooit tegen mij gezegd, maar ik vond het een goede zin. Veel mensen kunnen afkoeling gebruiken, van Poetin tot sommige schrijvers, columnisten en uitgevers tot minnaressen.

Afkoeling is het doel, literatuur de weg.

Bij een metrostation stapte ze uit de taxi.

‘Doe de groeten aan je moeder,’ riep ik haar nog na, want haar moeder is psychiater en die had ik graag eens willen ontmoeten.

Ik reed naar mijn appartement en bekeek de planten. De mislukking is ons ware vaderland.

  Van inspiratie kun je ook een overdosis hebben Meer lezen van de Hotelmens? Begin dan eens bij zijn hereniging met Paula, een voormalig restauranthouder die eruitziet alsof ze op straat leeft, maar in werkelijkheid miljoenen aan vastgoed bezit. Geld, blijkt maar weer, is ook maar een vorm van mysticisme. Lees hier de column terug

  Mijn moeder is het volgende project Nu de Hotelmens terug is gekomen uit Afghanistan, is het tijd om terug te keren naar de vrouw die hem ter wereld bracht. Een nieuw project, omdat alles uiteindelijk non-fictie wordt. Lees hier de column terug