Als ik terugdenk aan de die ik met mijn vader in zijn moestuin plukte – zo goddelijk van smaak at ik ze sindsdien nooit meer – prikken de waterlanders achter mijn ogen. Als mijn buurtbakker me ’s ochtends vroeg met het meel nog op zijn kleren een brood uitreikt, ervaar ik diepe dankbaarheid. Als ik het weekendritueel begin met een Maredsous, gebrouwen in een abdij die ik onlangs bezocht, denk ik: het leven is goed.

Sentimentele praat van een man van middelbare leeftijd? Nee hoor. Eten is emotie, schrijft Michiel Korthals in Goed eten. Sterker nog: je bezighouden met hoe eten tot stand komt, is essentieel om een goed leven te leiden.

Korthals was tot voor kort hoogleraar toegepaste filosofie aan de Universiteit van Wageningen. Na zijn emeritaat werkte hij al zijn ideeën over voedsel en landbouw uit in een vuistdik, machtig interessant boek.

We zijn vervreemd van ons eten

Zijn diagnose: er is een diepe kloof ontstaan tussen de productie en de consumptie van ons voedsel. Daardoor zijn we vervreemd van ons eten.

Foto: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Foto: Gerard Suk (voor De Correspondent)

We weten niet hoe ons eten op machinale, natuurverwoestende manier tot stand komt, of we sluiten ons ervoor af. We zien de productie van voeding als een industriële bedrijfstak in plaats van een vorm van zorg voor onze gezondheid, het milieu en dieren. We verliezen het vermogen zelf te koken en voedsel echt te proeven. En dat betekent een rampzalige aanslag op de kwaliteit van ons leven.

Het Europese landbouwbeleid werkt dit alles in de hand, stelt Korthals. Door niet de duurzame voedselproductie en de gezondheid van de bevolking centraal te stellen, maar de belangen van de industriële landbouw.

Onlangs kwam de Europese Commissie met haar langverwachte voor een nieuwe landbouwpolitiek vanaf 2020. Wie kan er beter zijn licht laten schijnen over de vraag of dit de broodnodige wending is waar de boer, de consument en de natuur naar snakken? dacht ik.

Van de mensen zelf

Korthals wil graag afspreken bij tuinderij bij Hilversum. Het is een CSA, wat staat voor Community Supported Agriculture, door de gemeenschap ondersteunde landbouw. Als je 310 euro inlegt, mag je er het hele seizoen wekelijks groenten komen oogsten.

Op dit moment zijn er 110 leden, vertelt boer Wietse Bakker, die in zijn kas pepers staat te planten tussen de kouseband. Op vrijdagmiddag en zaterdagochtend mogen de leden komen oogsten. Waarbij ze kunnen kiezen uit de 65 soorten groenten en fruit die hij verbouwt, van gangbare gewassen als aardappelen en bonen tot vergeten groenten als meiraap en pastinaak en de exotische pompoensoort zapallito.

Met afgrijzen vertelt hij over Franse boeren die hun veld inzaaien om subsidie op te strijken, maar het daarna weer omploegen

Europese subsidie ontvangt Bakker niet. Met afgrijzen vertelt hij over Franse boeren die hun veld inzaaien om landbouwsubsidie op te strijken, maar het daarna meteen omploegen omdat de opbrengsten lager zijn dan de kosten.

‘Dat we afhankelijk zijn van dit soort systemen, dat werkt niet’, zegt hij. ‘Ik vind dat voedselproductie van de mensen moet zijn.’

‘CSA is een prachtig systeem’, zegt Korthals in het café bij de tuinderij. ‘Je legt geld in, je oogst zelf, je kiest wat je wil hebben. Je ziet je eigen eten groeien, je leert hoe de natuur voor jou werkt.’

Het klinkt mooi, maar ook als iets dat alleen voor een kleine groep is weggelegd. ‘Veel mensen hebben allemaal verplichtingen, zodat ze dit soort dingen niet kunnen doen’, erkent Korthals. ‘Bovendien zijn de mogelijkheden beperkt. Hier kunnen ruim honderd mensen terecht, terwijl Hilversum bijna negentigduizend inwoners heeft.’

‘Ook zie je hier alleen groenten en fruit. Maar bij een product als graan is CSA veel moeilijker te organiseren. Dat vereist grootschalige productie, waarbij duurzaamheid voor mij wel heel belangrijk is.’

Foto’s: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Foto’s: Gerard Suk (voor De Correspondent)

De plicht goed eten te maken

Toch wekt Korthals in zijn boek de indruk te vinden dat we allemaal in de grond moeten wroeten, we allemaal onze eigen groenten moeten oogsten om de band met de natuur en ons eten te herstellen. Landbouw en ‘moestuinieren’ geeft ‘een vollere richting’ aan het leven omdat het leidt tot ‘een uitbreiding van het lichaam tot de bodem, de planten en de dieren’, schrijft hij.

Niet alleen worden we een voller mens door zelf ons eten te verbouwen, we hebben ook de plicht, stelt de filosoof, goed te eten en het zelf te maken.

Ooit at ik in een restaurant in Parijs waar de vaste klanten een eigen laatje met hun bestek hadden. Ze kwamen er elke dag eten. En ik gaf ze geen ongelijk, want de gerechten waren er goddelijk.

‘Voor mij is dat niet ideaal’, zegt Korthals. ‘Je wordt als consument nu zoveel geconfronteerd met misleiding en rotzooi dat het beter is zelf aan de slag te gaan. We zitten nu op ground zero van de smaakontwikkeling. Daarom is het beter zelf te koken. Voor je smaakontwikkeling, om te weten wat goede combinaties zijn, moet je het zelf uitzoeken. kookte ook veel zelf. Hij zei: alleen daarom weet ik wat een goede kroket is.’

Over smaak valt toch niet te twisten? Jawel, vindt Korthals. Smaak heeft een objectieve component, mede door de mineralen

Over smaak valt toch niet te twisten? Zeker wel, vindt Korthals. Niet alleen is gevoel voor smaak een vaardigheid die je kunt trainen, smaak heeft ook een objectieve component, waarvan vitaminen en mineralen de dragers zijn.

In zijn boek presenteert hij tabellen met de gehalten aan mineralen in groenten als tomaat, spinazie en wortel. Die zijn de afgelopen decennia flink gedaald.

‘Bij veredeling kun je niet alles verbeteren’, legt hij uit. ‘Als je veredelt op volume, bijvoorbeeld op grotere tomaten met een hogere opbrengst, krijg je een tekort aan mineralen en vitaminen.’

Dat maakt dat goede smaak niet alleen een privézaak is, maar ook een verantwoordelijkheid van de overheid, vindt Korthals. Die zou eisen moeten stellen aan de gehaltes aan mineralen en vitaminen, al was het maar uit het oog van de volksgezondheid.

Er is maar één soort voedselbeleid

Eigenlijk voert de overheid op dit moment maar één soort voedselbeleid: alles is gericht op voedselveiligheid, op voorkomen dat er ronduit schadelijk voedsel in de keten terechtkomt. Voor de rest is het vrijheid, blijheid.

Korthals diende een bezwaarschrift in tegen de komst van een McDonald’s aan een weg bij Hilversum waarlangs veel scholieren fietsen. De gemeente wees het af: ze kon naar eigen zeggen alleen iets doen met argumenten op het gebied van ruimtelijke ordening, zoals parkeeroverlast, maar niet met voedingsargumenten.

‘Hilversum is een arme gemeente met een bovengemiddeld aandeel obese kinderen’, zegt Korthals. ‘De gemeente wil iets doen om die jongeren in beweging te krijgen en besteedt een half miljoen euro aan een programma daarvoor. Tegelijkertijd laten ze de komst van een McDonald’s toe. Met speeltjes bij de happy meal richt dat bedrijf zich speciaal op kinderen. Ik vind dat pervers.’

‘Hilversum laat een McDonald’s toe aan een weg bij scholen, dat zich met z’n happy meals op kinderen richt. Dat is pervers’

Ongezond eten is nu makkelijker te krijgen en goedkoper dan gezond eten, constateert de filosoof. ‘Als Wietse een kilo tomaten voor drie euro verkoopt, staan ze bij de Lidl voor de helft. Waarom is wat je in de supermarkt koopt zo goedkoop? De neveneffecten zijn niet meegerekend. Zoals die van het gebruik van kunstmest en pesticiden op het oppervlaktewater, de bodem en de lucht. Of de uitstoot van broeikasgassen door transport.’

Neem meel. ‘Als jij in de supermarkt een pakje meel koopt, staat er nooit op waar het vandaan komt. De vrije markt is er totaal aan het werk. Ze slepen het de hele wereld over om het zo scherp mogelijk in te kopen en zo duur mogelijk te verkopen, en ze gooien alles bij elkaar.’

Foto’s: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Foto’s: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Voeding en vrije markt gaan niet samen

‘Eigenlijk vind ik dat voeding en vrije markt niet samengaan’, zegt Korthals. ‘Mijn pleidooi is om zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn als land. Je maakt jezelf minder afhankelijk van geopolitiek. Maar ook voor de betrokkenheid van mensen bij de voedselproductie en de kwaliteit van de landbouw is het veel beter als land de regie zelf te houden.’

Zal dat dan niet leiden tot flinke stijgingen van de voedselprijzen? ‘Nu leggen we de externe kosten op de schouders van toekomstige generaties. In ontwikkelingslanden zoals in Midden-Afrika besteden mensen de helft van hun budget aan eten. Bij ons is dat 10 procent.’

‘Laat het 12 worden of zo. Ik heb misschien makkelijk praten. Maar aan de andere kant geven mensen meer uit aan apparatuur en andere goederen. Dat is toch een beetje een rare verhouding. Dat komt allemaal doordat men niet meer erover nadenkt wat voeding betekent, hoe de natuur en de boer behandeld worden.’

Er is een alternatief!

De huidige wijze waarop we voedsel verbouwen leidt tot uitputting van de aarde en vervreemding van de natuur. Maar er is een alternatief, betoogt Korthals:

Wat is dat dan? Geen niche voor kleinschalige, ambachtelijke boeren, maar een andere kijk op landbouw, waarbij een slimme wisselwerking tussen gewassen, schimmels en insecten, tot een rijk en gezond landleven en een goede oogst moet leiden.’

Foto’s: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Foto’s: Gerard Suk (voor De Correspondent)

‘Het belangrijkste is: aandacht voor de bodem’, legt Korthals uit. ‘Je zoekt uit welke wortelsystemen precies bij elkaar passen. Die komen in de bodem in symbiose met schimmels en bacteriën. Dat heet mycorizza, een systeem van wortels en schimmels die elkaar Je zorgt er ook voor dat je bepaalde insecten aantrekt of juist afstoot, bijvoorbeeld met een plant die een beschermende omheining vormt voor je voedselgewas.’

In zijn boek meet hij de agro-ecologie af aan zes ethische criteria. Kan ze honger, ondervoeding en armoede terugbrengen? Is ze duurzaam? Diervriendelijk? Fair en rechtvaardig? Stimuleert ze een leefbaar platteland? Dicht ze de kloof tussen productie en consumptie?

Het is een maar al te bekend riedeltje: willen we straks 10 miljard mensen voeden, dan helpen romantische verhaaltjes over lokale landbouw niet. Maar wie dat zegt, slaat de plank volledig mis, vindt Korthals. Want het huidige voedselsysteem werkt honger juist in de hand.

‘Zeventig procent van de landbouwgrond is voor de productie van vlees en veevoer. De vleesproductie moet enorm omlaag. Ook produceren de plantages in bijvoorbeeld Afrika alleen voor het rijke Westen, niet voor de lokale markt. Kleine boeren zijn van hun land verdreven en werken op plantages, waar ze te weing loon krijgen om in hun levensonderhoud te voorzien.’

‘Het huidige voedselsysteem werkt honger juist in de hand’

Bij honger draait het nooit alleen om een tekort aan voedsel, maar ook om verdeling en hoe de markt functioneert, wil Korthals maar zeggen. Bovendien kan de agro-ecologische landbouw opbrengsten behalen die al aardig in de buurt komen van de intensieve landbouw, met minder gevolgen voor het milieu.

Hij is zeker niet de enige die er zo over denkt. stelt dat deze vorm van boeren in opbrengsten kan concurreren met de industriële landbouw. Tegelijkertijd is ze minder milieubelastend, heeft ze een groter vermogen klimaatschommelingen en plagen te weerstaan, levert ze meer banen op en is ze sociaal rechtvaardiger.

De agro-ecologische landbouw herstelt de soevereiniteit van boeren en consumenten die nu in de ijzeren greep van internationale ondernemingen zitten, legt Korthals uit. Hij is ook om die reden een fel tegenstander van het de stroming die zegt dat we de landbouw nog verder moeten intensiveren via genetisch gemodificeerde gewassen om de wereldbevolking te voeden én om ruimte voor de natuur vrij te maken.

‘Het is een technologische oplossing die ervan uitgaat dat je je moet losmaken van de natuur. Wat niet kan’, werpt de filosoof tegen. ‘Het heeft grote landschappelijke consequenties en leidt tot leegloop op het platteland. Het degradeert boeren ook tot uitvoerders van wat in het laboratorium is ontdekt en tot slaven van grote zaadbedrijven.’

‘In het laboratorium kun je niet voorzien waar de boer op de akker tegenaan loopt. Het weer, plotselinge plagen, de samenstelling van de bodem die op elke plek anders reageert. Dat vraagt ervaringskennis van de boer. Het is ook een illusie dat als natuur en landbouw zo radicaal gescheiden zijn, je als mens nog een band met de natuur hebt én er vrolijk door rondloopt.’

Foto: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Foto: Gerard Suk (voor De Correspondent)

Brussel helpt (een beetje)

Goed, we weten nu waar het volgens Korthals heen moet. Maar hoe kan het Europese landbouwbeleid een handje helpen om die toekomst dichterbij te brengen?

‘Stap 1 is dat de subsidie naar echte boeren gaat en niet naar grote ondernemingen die bijvoorbeeld suikerbieten produceren voor frisdrankfabrikanten. Daar zit het grootste probleem. Je stimuleert op grote schaal bedrijven die volledig in strijd handelen met wat je vanuit gezondheidsoogpunt moet stimuleren.’

Een dag na ons gesprek wordt Korthals op zijn wenken bediend. De Europese Commissie stelt voor de jaarlijkse landbouwsubsidies te binden aan een door de EU-landen zelf vast te stellen maximum van tussen 60.000 en 100.000 euro. Als dit er doorkomt, betekent dat een forse aderlating voor een bedrijf als Europa’s grootste suikerproducent Südzucker, dat in 2017 bijna aan landbouwsubsidie ontving.

‘Boeren die naar biologische landbouw omschakelen hebben een enorm probleem omdat hun grond nog te vervuild is’

‘Verder zijn er nauwelijks subsidies voor alternatieve vormen van boeren zoals de boslandbouw’, merkt Korthals op. ‘Er is ook een enorm probleem voor boeren die omschakelen naar biologische landbouw. De eerste jaren kunnen ze hun producten nog niet als biologisch verkopen, omdat hun grond nog te vervuild is. Je moet boeren helpen in die periode in leven te blijven.’

Aan dat front brengt de Europese Commissie weinig positief nieuws. De inkomenssteun die boeren ontvangen, heet weliswaar maar aan welke eisen boeren moeten voldoen om voor ‘duurzaam’ door te gaan, blijft in nevelen gehuld.

Het zijn de lidstaten zelf die daar invulling aan moeten geven in jaarlijks op te stellen strategische plannen. Het staat hen ook helemaal vrij zelf te bedenken of en hoe ze alternatieve vormen van boeren willen steunen, zoals de boslandbouw. Daarvoor bestaan geen Europese minimumstandaarden.

en reageerden dan ook diep teleurgesteld op de voorstellen.

Voorlopig is er vanuit Brussel weinig heil te verwachten voor de vergroening van de landbouw. Dat legt de verantwoordelijkheid vooral op het bordje van de lidstaten. En dat die huiverig zullen zijn om zelf voorop te lopen, als dat op korte termijn de concurrentiepositie van hun landbouwsector schaadt.

We zullen het vooral moeten hebben van enthousiaste boeren als Wietse Bakker die op eigen initiatief nieuwe wegen inslaan. Van burgers die vuile handen maken en die proeven dat stekebeiers uit eigen moestuin oneindig lekkerder zijn dan de meelballen die je bij de supermarkt koopt. En van filosofen als Korthals, die met een weelde aan denkvoer laten zien dat het hoog tijd is voor een grote omwenteling in de manier waarop we boeren, eten en leven.

Wil je op de hoogte blijven van mijn Brusselse zoektocht? Elke zondag om 10.00 uur publiceer ik een nieuwsbrief waarin ik verslag doe van mijn pogingen het spel in Brussel te doorgronden en initiatieven voor een mooier Europa in kaart te brengen. Die verschijnt op de site, maar kan je ook in je mailbox ontvangen. Schrijf je hier in De vergroening van de landbouw is geen utopie (als Brussel eindelijk eens meewerkt) Overal bloeien veelbelovende initiatieven op voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouw. Wat mist: landbouwbeleid van de EU dat deze boeren voedt in plaats van afremt. Wat niet helpt: sommige politici die erover gaan, hebben er financieel belang bij dat er niets verandert. Lees hier meer over de Europese landbouwpolitiek.