Er was een aanvaring, een van de geraakte schepen stond na de klap deels onder water, veertig meter uit de kant.

Priester Bernhard van Welzenes werd erover gebeld, stapte meteen in de auto. Hij ging op de kade staan en vouwde zijn handen tot megafoon: ‘Ik ben de en ik kom je helpen!’

Vanaf het schip riep een vrouw terug. ‘Ik heb je God niet nodig.’

‘Oké!’ schreeuwde de priester. ‘Maar je hebt wel een pompboot nodig, dus die heb ik gebeld en die komt eraan.’

Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)

Dit is hoe hij werkt, zegt Van Welzenes (77) als ik hem spreek in zijn kantoor – op een voormalige sleepboot, met kerkbellen en een kruis op het dek. ‘Je moet niet lullen maar poetsen, zouden ze in Rotterdam zeggen.’

Het is de eerste keer dat ik een priester ‘lullen’ in de mond hoor nemen, maar van Welzenes is dan ook geen doorsnee priester. Hij is al 48 jaar de geestelijke van de binnenvaartparochie van Nederland. Door de jaren heen kwamen daar de kermis- en circusgemeenschap bij. Drie werelden met een duidelijke overlap: altijd onderweg, schurkend tegen, maar nooit helemaal onderdeel van de reguliere maatschappij van kantoorbanen, vakantiedagen en vaste woonplaatsen.

Het zijn zelfstandig ondernemers, wier kinderen elkaar op de ontmoeten zodra ze hebben afgerond. In tegenstelling tot reguliere parochies, die ontstaan op basis van locatie, wordt de reizigersparochie ingericht door te kijken waar wanneer hulp en contact nodig zijn. Welzenes is een zich immer verplaatsend trefpunt.

Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)

De priester die altijd overal is

Hij wil als priester niet alleen ondersteunen met het spirituele, maar vooral ook met het praktische. ‘Ik ben in de gelegenheid om hele dagen de belangen te behartigen voor mensen die loeizwaar werk doen, overal en nergens thuis zijn en er zelf de tijd niet voor hebben.’

De priester is rijzig, fit, met donker haar, achter zijn vierkante brillenvensters grote blauwe ogen die er afwisselend uitzien alsof ze je enorm op je flikker gaan geven of juist elk moment in lachen gaan uitbarsten. Hij heeft een sarcastisch gevoel voor humor, zegt om de haverklap ‘God, ja, nee’ en noemt elke vrouw, hoe oud ook, ‘meidje’.

Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)

omdat het een van de meest pure en hardwerkende gemeenschappen is die er bestaat, een van de oudste gemeenschappen die Nederland kent, volk dat levens leidt met het vermaak van anderen ten doel, dat zich kapot werkt maar waar desondanks stapels vooroordelen over bestaan.

In die zes jaar kwam Van Welzenes’ naam in vrijwel elk gesprek naar voren. Met exploitanten, met liefhebbers, met vakbondslieden. Ik hoorde van een kermismoeder over hoe Van Welzenes haar dochter, die het slecht deed op school, weer zelfvertrouwen gaf door haar onvermoeibaar aan te moedigen.

Een oliebollenbakker vertelde hoe de priester hem had geholpen het verlies van een familielid te verwerken door regelmatig bij hem langs te gaan, zelfs terwijl hij zich groothield en zei dat het niet hoefde. En dan zijn er de verhalen van praktische hulp, van vergaderingen met de vakbond en met verzorgers in tehuizen – Van Welzenes blijft ook betrokken bij gepensioneerde congreganten – van het regelen van doktoren.

‘Mensen die veeleisend en mogelijk gevaarlijk werk doen moet je soms tegen zichzelf in bescherming nemen’

De priester vertelt: ‘Ik kreeg laatst telefoon van een schippersvrouw wier man dementerend is. Hij moest over twee dagen het water op, maar de dokter die moest controleren of dat verantwoord was, had pas over weken een gaatje. Toen heb ik een bevriende internist gebeld die eerder tijd voor hem kon maken.’ De schipper bleek ongeschikt om nog te varen. ‘Zulke zaken klinken misschien niet direct als hulp, maar mensen die veeleisend en mogelijk gevaarlijk werk doen moet je soms tegen zichzelf in bescherming nemen.’

Of het nu gaat om emotionele, financiële of sociale zaken: de priester lijkt binnen zijn gemeenschap voor alles je man en kent naar verluidt elke familie persoonlijk. Hoe kan dat? Hoe houdt hij alles bij? En wat betekent zijn werk voor anderen?

Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)

Niet het aanbidden maar het helpen centraal

‘Kijk meidje, dat is het voordeel van schipperszoon zijn. Ik weet van een Dortmunder en van een baggerpraam en van een kempenaar en van een spitse mot.’ Hij kent de boten, kanalen en rivieren, dus als er iets gebeurt, kan hij meteen het goeie mannetje bellen. ‘Op de kermissen en circussen, waar ik in terechtkwam via de schippersinternaten, heerst eenzelfde ons-kent-ons- en aanpak-cultuur.’

Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)

En hij vindt dat religie zelf ook zo zou moeten werken. ‘Niet het ambtelijke en het aanbidden, maar het elkaar helpen zou centraal moeten staan. Als meer Nederlandse priesters zo dachten zouden de kerken misschien wat minder leeg zijn.’

Heeft de kermispriester zelf niet makkelijk praten? Zijn gemeenschap is nog meer betrokken bij de kerk dan mensen uit de ‘burgermaatschappij’ – zoals de wereld buiten de kermis genoemd wordt. Grote communies en doopfeesten zijn onafscheidelijk onderdeel van de kermiscultuur en zijn kerk vervult een functie die ‘gewone’ kerken minder dienen: die van verzamelplaats voor een gemeenschap die niet vaak samen kan komen.

Van Welzenes: ‘Ze zijn traditioneler dan de burgermaatschappij, zeker. Maar het zijn ook gewoon mensen, die net zozeer aan het twijfelen zijn geslagen en die hun toevlucht zijn gaan zoeken in andere dingen dan de kerk. Het verschil is: zij richten zich in tijden van nood niet tot God of "het instituut" kerk, ze richten zich direct tot mij en weten dat ik kom helpen.’

Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)

Kermis- en circusmensen moeten beter leren netwerken

Natuurlijk doet hij veel dingen die elke priester doet: trouwerijen, dopen, ziekenbezoeken, uitvaarten. Maar de andere helft van zijn tijd is hij bezig met zaken die niet direct met religie te maken hebben. Vakbonden inschakelen, met de lokale politiek overleggen over standplaatsen voor kermiswoonwagens en met de landelijke politiek in discussie gaan over bijvoorbeeld.

Uitvaarten, daar gaat het grootste deel van zijn tijd naartoe. Als hij erover praat wordt duidelijk hoeveel waarde hij hecht aan onderdeel zijn van het afscheids- en rouwproces. Omdat hij daar naar eigen zeggen het meeste voor mensen kan betekenen – verdriet opvangen, de stervende geruststellend richting het einde begeleiden, de dienst regelen. ‘Niet dat ik uit het niets word gebeld van: "Hee, mama is dood, kun je de uitvaart komen doen?" Dan voel ik me een beetje de pastorale Albert Heijn. Even een priestertje bestellen.’

Kermis- en circusmensen zijn aanpakkers omdat ze dat wel moeten zijn. Hun ondernemerschap is alles. Van Welzenes heeft het nu zijn missie gemaakt de ondernemers nog zelfstandiger te maken, beter in netwerken met de burgermaatschappij.

‘Je moet me nu maar even op mijn woord geloven. Dat kan gewoon, ik ben een priester’

Daarom praat hij nu ook met kermiskinderen over hun opleiding en toekomstperspectieven en adviseert hij volwassen exploitanten zoveel mogelijk samenwerkingen op te zetten met andere branches en politieke partijen.

Hij heeft weinig op met bureaucratie en mengt zich namens leden van zijn gemeenschap in allerhande zaken – iets dat hem niet altijd in dank wordt afgenomen door meer traditionele collega’s, die hem te liberaal vinden.

Op het schip waar hij kantoor houdt tussen honderden communiecadeautjes, zit ook een café met een rechthoekige bar en een toilet waar nog een asbak aan de muur hangt. Achterop het schip bevindt zich een grote ruimte die als kerk wordt gebruikt, maar die is voor de Nijmeegse Vierdaagse nu even omgetoverd tot EHBO-zaal.

Van Welzenes knipoogt, de handen in elkaar gevouwen. ‘Als de kerk vrij was zou ik hem je wel even laten zien, maar je moet me nu maar even op mijn woord geloven. Dat kan gewoon, ik ben een priester.’

Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)

Preken kan ook in de botsauto’s

Een paar dagen na ons gesprek op de boot, op een zondagochtend die zo heet is dat het regenboogkleurige plastic dak van de botsauto’s zweet, geeft van Welzenes zijn jaarlijkse dienst op de Tilburgse kermis.

De ker(k)mis is van oudsher religieus. Het begon een jaar of 500 geleden als dorpsfeest waarbij alle inwoners samenkwamen om de patroonheilige van een bepaalde plaats te eren. Eerst was er het entertainment, de muziek, de shows, later kwamen daar de attracties bij.

Het woord ‘kermis’ komt dus van ‘kerkmis’. Maar die oorsprong is zo ver weg, dat de kerkmis op de kermis nu de kermis-mis heet.

De dienst is bedoeld voor gewone Tilburgers, maar vooral ook voor de exploitanten zelf, die verderop hun woonwagens hebben staan zolang ze hier draaien. De dienst vindt plaats in de botsauto’s, Autoscooter Route 66.

De poster met het kruis is net niet groot genoeg. Eronder steken lange blote benen op hakken

De voorste rijen zitplaatsen zijn botsauto’s, opgesteld in een halve cirkel voor het altaar – een tafel met een kleed en katholieke beeldjes erop. Over de sexy vrouw die op de wand van de botsautotent is geschilderd hangt nu een poster van een kruis – die net niet groot genoeg is. Onder het kruis uit steken lange, blote benen op hoge hakken.

Ik mag de dienst geen dienst noemen van Van Welzenes. ‘Zeg liever "viering", want dat betekent meer: loslaten en weer terughalen.’

In de botsautokerk geen koor van grijsaards maar een vrouw op gouden naaldhakken genaamd Ruby, die ter afsluiting van de dienst van André Hazes jr. inzet.

Op een vrijdag in de kroeg, ergens in Amsterdam,
zat aan de bar met een glas een oude wijze man....

Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)

Van Welzenes staat het grootste deel van de viering niet achter het altaar, maar tussen de kerkgangers. Vandaag gaat zijn dienst over een stap terug nemen in dit verzengend hete hoogseizoen. Hij raadt alle aanwezigen aan, hoe tegennatuurlijk dat ook klinkt voor mensen die zich in de zomer het eelt op de handen werken, om ook eens in zichzelf te investeren, zodat ze er nog beter kunnen zijn voor anderen. Door af en toe een kwartiertje stil te zijn, bijvoorbeeld, of in een boekje bij te houden hoe het met ze gaat. Hij drukt de kinderen op het hart te lezen of zingen voor het slapengaan, in plaats van hyper van de tv in bed te stappen.

Op zijn stola, de rode sjaal die over zijn priesterlijke gewaad hangt, staat een gouden kruis met aan weerszijden een jonglerende clown en een caroussel.

Hij betrekt zo vaak mogelijk de aanwezige kinderen bij de dienst, maakt grappen tegen iedereen die een stukje lichaam van Christus komt halen en zegt tegen het einde van de dienst: ‘Ruby, meidje, zing nog een liedje, dan ga ik hier even zitten.’

Na het nummer tovert hij een tas van de Aldi tevoorschoon met chocolaatjes die hij kocht voor de mensen die de dienst vandaag organiseerden. Hij kent hun ouders, kinderen en sores. Als de viering voorbij is, lopen alle bezoekers mee over de kermis, waar hij de man van het touwtjetrekken een hand geeft en zijn hoofd in het kassahok van een goktent steekt om te groeten.

Uiteindelijk houdt hij halt bij een achtbaan. Hier zegent hij de kermis officieel in door een mariavormig flesje wijwater over het toegestroomde publiek – en de fotografen – leeg te gooien. ‘Dit is aangelengd Lourdeswater, maar niet minder gemeend hoor.’

Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)

Twee jerrycans Lourdeswater

Over dat Lourdeswater heeft hij het een paar dagen eerder, op zijn kerkschip, al gehad. Hij kreeg eerder dit jaar twee jerrycans, maar wie circusdieren zegent – in het bijzonder olifanten – maakt zijn wijwater snel op.

En wat ook niet hielp: ‘Dieren zijn een stuk kritischer op wijwater dan mensen.’ Toen hij een dorstige olifant de rest van het wijwater wilde laten opdrinken, wilde die er niets van weten. ‘In de natuur halen dieren hun neus op voor water dat langer dan een jaar heeft stilgestaan, ze raken het niet meer aan. Dus dit maak ik zo snel mogelijk op en daarna stap ik over op kraanwater. Elk stilstaand water gaat dood. Ook Lourdeswater.’

De kerk heeft er volgens Van Welzenes altijd een handje van gehad om te zeggen: Ik ben zus en zo en je moet naar me luisteren. komen helemaal niet meer buiten!’ Dat kan niet, vindt hij. ‘Je moet de handen uit de mouwen steken en dat respect verdienen.’

Een echte kermishouding.

‘Je moet de handen uit de mouwen steken en dat respect verdienen’

Een vrouw komt zijn kantoor binnengelopen, het gesprek gaat over het afgelopen weekend, het weer, een kloosterzuster die binnenkort 94 wordt en een lid van de gemeenschap dat net is opgenomen in het ziekenhuis.

Van Welzenes blijkt de vrouw die binnenkwam goed te kennen, zegt hij als ze is vertrokken. ‘Lief meidje, ken haar al vijftig jaar. Ze is pas aan wal gegaan met haar man, in Beuningen. Haar moeder is vijftig jaar geleden verdronken en haar vader was een van de eersten die ik toen in functie als priester opgezocht heb. Ik weet zelfs nog wat we toen gegeten hebben. Soepvlees met uitjes en gurkjes, toen de soep zelf, toen andijvie met een bal.’

De priester heeft een olifantengeheugen. Tijdens ons gesprek van anderhalf uur noemt hij 82 namen, ik turf ze als ik de bandopname uitwerk. Van collega’s, van zieken, van kermiskinderen, van de neef van de buurman van de oud-voetbalcoach van iemands vader.

Hij werkt zes dagen per week van negen uur ‘s ochtends tot tien uur ‘s avonds, maar hij noemt het ‘vrije tijd’. ‘Ik zal dit nooit ervaren als werk, ik ben er gewoon.’ Bondiger kun je zijn missie niet samenvatten.

Minder priesters, minder circusmensen

Elke ochtend en avond mediteert hij een kwartier om scherp van geest te blijven. ‘Even een zoetje bidden en dan nadenken: wat ging goed, wat ging minder. Ik neem niets mee naar huis, geen papiertje.’ Hij draait aan een kleine draaimolen op zijn bureau. ‘Alleen als er een kind verdrinkt, dat laat je niet los.’

Fit of niet, gemotiveerd of niet, Van Welzenes wordt 78 volgend jaar. Onderwerp van gesprek in de gemeenschap is dan ook regelmatig wie zijn opvolger wordt. Het voorlopige antwoord: niemand.

Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)
Foto’s: Renate Beense (voor De Correspondent)

Sinds zijn aantreden is de kerkgaande gemeenschap gekrompen. Niet alleen vanwege secularisering, maar ook omdat het in de kermis en het circus steeds moeilijker rondkomen is – veel families hebben hun bedrijf moeten opdoeken. De binnenvaart kromp niet in volume, maar werd wel efficiënter, wat ervoor zorgde dat het aantal binnenvaartkinderen in zijn parochie terugliep van zevenduizend in zijn begintijd naar zeshonderd nu.

Onder de kleinere, nieuwe generatie priesters is er niemand die direct verbonden is met de kermis-, circus- of binnenvaartgemeenschap. Tegelijkertijd is niemand al klaar om afscheid te nemen van Van Welzenes, de man die hun ouders trouwde en kinderen doopte. Zelfs in zijn tijd was het bijzonder dat er zo’n bevlogen priester werd aangesteld. De voorganger van zijn kerk vroeg twaalf medebroeders voordat hij Van Welzenes benaderde. ‘Het was eerste kerstdag 1969. Ik was de dertiende die verzocht werd en zei meteen ja.’

Met Van Welzenes komt een einde aan het tijdperk van de priester die overal over de vloer komt in een nooit stilstaande gemeenschap, die alle zorgen van zijn congregatie in een mentale rolodex bewaart. Er komt een einde aan de leiding van een geestelijke met verhalen als: ‘Wanneer ik mijn favoriete circusolifant Buba bezoek, doe ik altijd een pak met een borstzakje aan, voor de wortel.’

De priester pakt zijn telefoon erbij om me een kinderbijbel-app te laten zien, schitterend vindt hij die – alle apostelen zijn klikbaar en maken geluidjes. Hij probeert bij de tijd te blijven, maar de kern van zijn werk zal nooit veranderen: er zijn als het nodig is.

Lees verder:

Wiettelers verdedigen? Nee, dé advocaat van woonwagenbewoners vecht vooral tegen vooroordelen In Nederland wonen 30.000 mensen in woonwagens. Gemeenten willen af van de woonwagencentra: als bewoners vertrekken, komen er geen nieuwe standplaatsen. Het mag niet, dit ‘uitsterfbeleid’, want het discrimineert. Toch komt advocaat Sjoerd Jaasma het dagelijks tegen. ‘Deze mensen zijn kwetsbaar. Dat wordt vaak gezien als teken dat iets mis is met hén, niet met het systeem.’ Lees mijn verhaal hier terug Waarom de kermis protesteert tegen een maatregel die voorlopig niet doorgaat drie jaar geleden protesteerden kermisexploitanten en circusartiesten op het Malieveld en bij het Binnenhof tegen de geplande btw-verhogingen. Hoewel de btw-verhogingen waarschijnlijk niet doorgaan, hebben ze genoeg reden te demonstreren. Lees mijn verhaal hier terug