Het krijsen van rubber op asfalt scheurt me uit mijn slaap. Even oriënteren: muur rechts, vriend links, balkon aan het voeteneind, ruzie in het plat Tilburgs drie verdiepingen lager, onder dat balkon. Alle deuren en ramen staan tegen elkaar open voor de illusie van een briesje.

Beneden op straat, zo’n straat die zich net niet meer in het centrum bevindt, maar waar je wel nog naar de Wibra en de shoarmatent kan, schreeuwt een man. Een vrouw schreeuwt dat hij niet zo moet schreeuwen. Een tweede man bedankt de vrouw, blijkbaar was het schreeuwen aan hem gericht.

Maar Tony, die van het ‘Tony, hou je bek nou’ van de schreeuwende vrouw, is nog niet klaar.

Hij blaft naar de tweede man: ‘Waarom rijd je niet gewoon met een meter?’
‘Waarom vat jij een zwarte taxi?’
‘Je krijgt geen kut, we lopen wel!’

De vrouw heeft speciaal hakken aan omdat Tony zo nodig naar de gokhal moest

De vrouw wil niet lopen. Ze heeft speciaal hakken aangetrokken omdat Tony zo nodig naar de gokhal moest. Eerder, toen ze bij de chauffeur waren ingestapt, had die gezegd dat hij ze voor een tientje naar huis zou brengen. Maar ergens rond het balkon was dat ineens twintig euro geworden.

Liggend op mijn rug moet ik het doen met beeld dat niks te maken heeft met het geluid. Een wit spikkeltjesplafond waarvan ik vaak schrik, omdat de schaduwen die een straatlantaarn erop werpt op spinnen lijken. Een half glas spa fruit dat gaat omvallen als hij naast me zich straks omdraait. Ingelijste lp’s; MF Doom, Nas, The Stooges.

Ik vraag me af wie nog meer wakker is geworden en waar zij naar liggen te kijken. Waar zou de Poolse buurman, die overdag uren aaneen in stilte staat te roken op het balkon hiernaast en die zijn vrouw en kinderen twee keer per jaar laat overkomen, naar staren?

Tony laat het er beneden niet bij zitten. Hij heeft de chauffeur inderdaad nog niet betaald, dat klopt, dus eigenlijk heeft hij een stuk gratis mogen meerijden. Toch wil hij excuses. Hij is een man van eer, dat weet ze toch? Nou, dan moet ze ophouden hem te proberen kalmeren en steeds de kant te kiezen van ‘die vieze chauffeur’. Ik begin te vermoeden dat dit niet hun eerste ontmoeting is.

‘Maat, hoezo ben ík vies?’
‘Tony, doe rustig.’
‘Ik ga lopen, kom niet achter me aan, houdoe.’

Ik hoor hakken klikken, de vrouw gaat ondanks zijn waarschuwing toch achter Tony aan. Heel even verdwijnt het geklik in de verte, dan klinkt het weer luider: ze komt terug.

Staat de chauffeur bij te komen? Of verwachtte hij haar al?

De auto staat nog steeds onder het balkon, met draaiende motor. De geur van peuk zweeft de slaapkamer binnen en ik stel me voor hoe de chauffeur met z’n rug tegen het portier aan staat te wachten. Staat hij even bij te komen? Of verwachtte hij al dat ze terug zou komen?

Ze is weer in de buurt, maar net niet in de buurt genoeg om niet te hoeven schreeuwen.

‘Hamza, sorry!’
Hamza, de chauffeur, zegt dat het oké is.
‘Ik dacht dat hij er intussen wel overheen was… Kun je me gewoon naar huis brengen nu?’
‘Jouw huis?’
‘Of jouw huis?’