Frisgroen en blauwgrijs zijn de zacht wiegende dennen en sparren. Dennenappels schommelen aan de toppen, de zon breekt door, licht spat uiteen op schors. Een briesje brengt de geur van hars, het ruisen der takken is als een branding: kalmerend, imposant.

Stupid people! Gaan ze andere mensen in het bos neuken!’

We kijken opzij. Over het bospad komt een man aangefietst, wild zwalkend, hoofdschuddend, hardop pratend in zichzelf.

‘De stad komt er even doorheen gedenderd’, lacht Noortje, met wie ik door het bos loop.

Niet zo raar, want we zijn ook midden in Rotterdam, in het Kralingse Bos. Alleen waren we dat even vergeten. Noortje zegt dat even verder ook een bekende homo-ontmoetingsplek is.

De verwarde man is nog nauwelijks buiten gehoorsafstand of de magie van het bos neemt alweer bezit van ons. Shinrin-yoku heet de drugs die ik opheb. Werkt als een tierelier.

Alsof het drugs was

Een uurtje eerder kwam ik zelf nog haastig en verward het bos in gefietst. Ik was te laat op mijn afspraak met wandelcoach Noortje van Deursen (42). Mijn hoofd zat al bij de deadline voor het stuk dat je nu leest.

Gauw nog even wat citaten scoren over Japans bosbaden, dacht ik; het stukje zelf had ik in mijn hoofd al zo ongeveer af, het ging ongeveer zo:

Een poosje terug voelde ik me niet zo jofel. Ik naar een psycholoog, voor het eerst van m’n leven, maar al na één sessie gaf ik er de brui aan. Geen ‘klik’ met dat gedoe. Toen ging ik naar een outdoor-winkel en kocht ik een duur paar wandelschoenen. Toen door het bos lopen, uren, als een razende, koptelefoon met Pearl Jam op, volume in het rood.

Dat bos bleek antidotum tegen alles. Mijn stappenteller ging als een dolle en ook mijn gemoed knapte op. En steeds als ik niet tussen de dennenbomen liep, hunkerde ik ernaar, als naar drugs.

Zo moeten Adam en Eva zich gevoeld hebben toen ze het Paradijs waren uitgezet, dacht ik dan. Of zo voelt een aap zich in Artis voortdurend. Maar ík kon gewoon steeds terugkeren naar mijn paradijs.

Als het bos de god van onze tijd is, is de monstera het Mariabeeldje

En anders kwam het bos wel naar mij: ik kocht koffiemokken met kamerplantmotief, bestelde een bladgroene racefiets, begon de kamers te vullen met Kind van mijn tijd: bosgroen is de trendkleur, kamerplanten overwoekeren de steden.

Als het bos de god van onze tijd is, dan is de kamerplant het Mariabeeldje.

En er is dus ook een bijpassende eredienst: shinrin-yoku, wat Japans is voor bosbad, een onderdompeling in het woud. Het komt erop neer dat je het bos met al je zintuigen in je opneemt.

Shinrin-yoku klinkt als een oeroude Japanse zentraditie die nu via bladen als de Happinez onze timeline binnenstiefelt. Of als een trend uit de serie Hygge, ikigai, ayahuasca, spaar ze allemaal.

Een trend uit 1982

En een trend is het zeker, maar de term stamt uit 1982 en is bedacht door een Japanse minister van Landbouw, Natuur en Visserij. Hij wilde boswandelen promoten als middel ter verbetering van de volksgezondheid.

uit de jaren tachtig, dus.

Maar daarom nog geen onzin. Je zou het ook leefstijlgeneeskunde kunnen noemen.

Sterker, er zou inmiddels zijn dat boswandelen de cortisolwaarden in je bloed verlaagt (dat zijn de stressstofjes); dat je bloedsuikerspiegel daalt, je bloeddruk, je hartslag… En dat zou dan komen door de stofjes die bomen uitscheiden, Phytoncides geheten.

Zou, schrijf ik voorzichtig, want er is tot dusver alleen voor. En de verhalen over het bosbaden gaan vaak ook gepaard met keltische rituelen, praten met vogels en vlierbloesemthee. Steeds die vreemde combinatie van zweven en ‘wetenschappelijk bewezen’ – alsof men een excuus zoekt, dacht ik, om te doen wat ieder op z’n klompen al aanvoelt: dat een boswandeling goed voor je is.

De boswachter als burn-outtherapeut. Prima. Al dat groen had mij gratis uit de put getrokken, ik hoefde er alleen maar doorheen te lopen. Magie, absoluut.

Maar die eenvoud was ‘t hem juist. Hadden we die goeie, ouwe boswandeling niet gewoon ingewikkeld gemaakt en herverpakt tot shinrin-yoku? Wat was het verschil met mijn eigen geneeskrachtige wandelingen?

Heel. Erg. Langzaam

Met zulke gedachten zette ik licht zwetend mijn fiets op slot.

‘Je kwam precies zo aangesjeesd als veel mensen met wie ik wandel’, zei glimlachend. Normaal laat ze die altijd even uithijgen. Nu wandelden we meteen door naar een idyllisch uithoekje van het Kralingse Bos, haar praktijkruimte, waarvan zij inmiddels elk hertenpaadje kent.

Of nou ja, meteen… Ze liep langzaam. Heel. Erg. Langzaam.

Alsof je. Een trein moet zien te halen. Maar alleen. Mag. Sjokken.

Het was geen wandelen, eerder een aandachtig scharrelen

We zouden zo hooguit een kilometer of twee per uur afleggen. Het was geen wandelen, eerder een aandachtig scharrelen.

Maar al na een paar minuten ging het werken, misschien door het ruisen, fluiten en kabbelen rondom ons. Het was alsof mijn razende brein accepteerde dat de trein net was weggereden en dan maar de tijd nam om te landen.

Nog voor ik Noortje mijn vraag kon stellen, had ze die zo al beantwoord: het verschil tussen mijn eigen wandelsessies en bosbaden was bijvoorbeeld: snelheid.

Noortje had gezegd dat ze geen gespecialiseerde bosgids was, maar wel shinrin-yoku-technieken toepaste bij haar wandelingen. Ze voerde me naar een bankje met zicht op de Kralingse Plas. Skybox in de natuur.

Ik wilde een foto maken om op te zetten maar hield me in om de betovering niet te verbreken. (Je bent aan het jagen, zou Noortje later zeggen. De moderne mens is nog steeds heel de tijd aan het jagen. Informatie jagen, beelden jagen, imago jagen.)

Aanzetten van je zintuigen

Het ging niet alleen om snelheid, legde Noortje uit. Vooral om het ‘aanzetten’ van alle zintuigen. En niet alleen de ogen, want die krijgen al zoveel aandacht in onze visuele cultuur. Het bos betasten, beluisteren, proeven – dat was belangrijk.

Ze zei: ‘Shinrin-yoku is ook: een braam plukken en proeven dat die een andere smaak en temperatuur heeft dan de braam die je ’s ochtends uit het bakje in je koelkast graait.’

En ze zei: ‘Je kunt door een bos joggen met een koptelefoon op die je gedachten overschreeuwt terwijl de boomstammen voorbijschieten – of langzaam lopen, af en toe stilstaan, een dennenappel of takje oppakken, het bosaroma door je neus inademen, jezelf een beetje vergeten.’

‘De natuur vraagt op een heel vriendelijke manier je aandacht, zoals kunst of een goede roman dat doen – zolang er geen leeuw op je afkomt’

En ja hoor, een voor een gingen m’n zintuigen aan. De geur van paddenstoelen, mos. De zachte ribbels van bladnerven. Knappende takjes.

Veel mensen voelen wel de behoefte aan het groen, voelen het bos trekken. Maar ze gaan niet, al wonen ze ernaast. Dat had ze zelf ook. Komt omdat die ‘stadsprikkels’ zo verslavend zijn, zei Noortje.

‘Al die piepjes en bliepjes van het moderne leven die zelfs als je ze probeert te negeren nog bandbreedte vreten. Maar de natuur vraagt op een heel vriendelijke manier je aandacht, zoals kunst of een goede roman of documentaire dat ook doen – of nou ja, zolang er geen leeuw op je afkomt.’

Er kwam geen leeuw op ons pad. Wel schapen, alsof we in Drenthe waren, niet nabij de Euromast. Bij een bruggetje over een beekje deden we een oefening met de ogen dicht.

Ik zette mijn oren open. Was ik een verwarde man, verdwaald in het bos?

Maar het werkte.

Het vleugelklapperen van wat watervogels klonk keihard, alsof je machtige geluisboxen van Bang & Olufsen in je kamer had. En het bosaroma knalde m’n neus in zoals een verkwikkend soort cocaïne dat zou doen.

Het bos zonder de bullshit

Ik overdrijf, maar slechts een beetje. Want het effect was intens. Het was alsof ik voor het eerst in dit bos was.

Noortje gaf me het bos zonder de bullshit. En toen moest het mooiste nog komen. We liepen inmiddels richting haar lievelingsstukje, een vallei-achtig gedeelte, waar hoge sparren en dennen stonden, een oase, een kleine Hoge Veluwe in de luwte van een drukbezocht gebied.

Spinrag glinsterde tussen takken, geen mens te zien, of zelfs te horen, hoewel we maar een paar stappen van de hardloopsnelweg waren. Maar de hoge naaldbomen zelf gaven een showtje, ze wiegden, ze ruisden als watervallen, zeiden belangrijke dingen die ik niet kan spellen.

Ik ervoer nu zelf wat ze eerder bedoelde toen ze het had over dat ‘halfverliefde gevoel van getuige zijn van iets wat groter is dan jezelf, je onderdeel voelen van het alles – of het niets. Jezelf even vergeten.’

Ze had geleerd dat er echt een knopje bestaat dat je aan en uit kunt zetten: het is een keuze om ergens over in te zitten

Zelf was ze iemand met een groot talent voor piekeren. Ze had echter geleerd dat er echt een knopje bestaat dat je aan en uit kunt zetten: het is een keuze om ergens over in te zitten. En in het bos ging dat piekerknopje uitzetten nu eenmaal een stuk makkelijker, in het bos kun je makkelijker je aandacht richten, zei ze.

‘Soms ben ik bang dat ik verander in een geitenwollensokken bosnimf’, zei ze later, maar die indruk kreeg ik niet. Als dit shinrin-yoku was, dan was het geenszins zweverig. Het was juist zo sensorisch, zo empirisch als zonlicht op je wang, zo tactiel als boomschors.

Ik geloof dat het de atheïst Albert Camus was die het eens had over de zon als een god om in te geloven, want een god die je tenminste echt kon zien en voelen.

Het bos is dan een nog betere god, bedacht ik: je kunt bomen ook ruiken, drinken – knuffelen, ja. En wat dan nog, al zou het over kabouters zijn gegaan, zolang het maar werkt, toch? En dat deed het.

Verkwikt en bosdronken fietste ik naar mijn volgende afspraak (en ik zou dat gevoel nog dagen vasthouden).

Magische wezens

Ik was te laat, wederom. Parkeerde de fiets in een klein stadsparkje bij de West-Kruiskade. Ik had een belafspraak met Natascha Boudewijn. Zij publiceerde dit jaar Het kleine shinrin-yoku boek. Hoe de kracht van de natuur je leven verandert en verzorgt een opleiding tot ‘shinrin-yoku-gids’. Het is een ze vertelt er onder meer in hoe het bos haar uit een burn-out hielp.

Het heldere boekje bevat praktische oefeningen. Of nou ja, het gaat ook over ‘je innerlijke kind wekken’ en over het bos ‘vragen om je welkom te heten’ en ‘landen’ en over het bos als ‘mijn magische krachtplaats’ en ‘magische wezens op mijn pad’.

Daar gaan mijn wenkbrauwen wel van fronsen, zei ik.

Natascha zelf was vroeger ook ‘de totale ratio’ zei ze, ‘een soort kerel in vrouwengedaante’

Natascha zelf was vroeger ook ‘de totale ratio’ zei ze, ‘een soort kerel in vrouwengedaante’.

Sinds de Verlichting hebben we de ratio zo hoog in het vaandel staan dat de intuïtie eigenlijk uit beeld is verdwenen. Boosdoener was Descartes, zei ze, met z’n ‘ik denk dus ik ben’. We willen allemaal wetenschappelijk bewijs, dan pas geloven we het. Het ‘weten’ vanuit de intuïtie, zei ze, dat wordt in onze ‘yang-gedomineerde samenleving’ afgedaan als onzin.

Maar in het bos kun je je weer ‘aansluiten op dat innerlijk weten’. En dat was volgens Natascha helemaal niet moeilijk, als je die ratio maar uitdeed.

Vooral mannen, was haar ervaring, zeiden vooraf vaak: ik weet heus wel wat het bos is, ik kom er elke dag – ja, zegt ze dan, zeker bellend met de hond aan een strakgetrokken lijn, met het bos als behangetje. Niks mis mee trouwens, maar jezelf onderdompelen in het bos, je pas vertragen, dat is echt anders.

Ik moest het bevestigen, want ik had het net meegemaakt, het mos zat nog onder m’n nagels.

Het hoge tempo waarin we leven, zei Natascha, nemen we ook mee als we gaan ontspannen, zei ze. ‘Op het moment dat je je pas vertraagt, word je geconfronteerd met jezelf.’ En dat is eng.

Maar die mannen zijn steevast verbaasd, zei ze, over wat er met hen gebeurt als ze zich weten over te geven aan het bos. Als ze inderdaad ‘contact maken met de energie van het bos’. En ‘eenmaal aangesloten op de kracht van de natuur’ worden ze er ook nog daadkrachtiger van.

Onderdeel zijn van de natuur

Ze vertelde over shinrin-yoku-bossen in Japan, waar mensen met busladingen tegelijk het bos in worden gestuurd, onder leiding van een gids die instructies schreeuwt als ‘Kijken!’ en ‘Luisteren!’

Dan wordt het weer een kwestie van afvinken, zit je alsnog ‘in je hoofd’. Zó moet het dus niet.

Dan was het weer ‘de natuur ingaan’, in plaats van onderdeel zijn van de natuur – wat ik wel een mooie observatie vond, want inderdaad is dat onderscheid tussen jezelf en de natuur of tussen stad en natuur heel kunstmatig (en ook irrationeel, alsof je zelf iets anders zou zijn dan natuur).

Symptoombestrijding

En zo ben ik nu weer thuis, naast m’n monstera, in de natuur van mijn huis. En over een winkel in Amsterdam waar je kunt bosbaden in een speciaal groen hokje dat is volgezet met kamerplanten: de pop-up-Plant Bathing Studio.

‘Het idee is dat planten een rustgevend effect hebben op je lichaam en je vanuit de stad niet altijd tijd hebt voor een boswandeling.’

Shinrin-yoku als vlugge fix, dus, even een minuutje in de groencabine.

Een schizofrene ervaring, lijkt me, zo’n boshokje: de rust een tijdloosheid van een bos opzoeken in een flits.

‘Voel, ruik en zie hoe het is om een boom in het Peruaanse regenwoud te zijn’, lees ik even later. Het gaat over een virtualreality-ervaring, Tien minuten lang kruip je in de huid (of schors) van een regenwoudboom die met kappen bedreigd wordt.

Opnieuw een paradox: we snakken naar het bos dat we aan het kappen zijn.

Even wat groen opsnuiven, als een goudvis in een vuile kom, die boven de waterspiegel even wat zuurstof hapt en weer terugzakt

Straks is zo’n plantenbad niet alleen een gimmick, maar een bittere noodzaak: even wat groen opsnuiven in de drukke stad, als een stikkende goudvis in een vervuilde kom, die boven de waterspiegel even wat zuurstof hapt en weer terugzakt.

Symptoombestrijding.

En was mijn shinrin-yoku-sessie niet ook precies dat: symptoombestrijding?

Ik neem een slokje uit mijn kamerplantmok.

Als ‘het systeem’ ons blijft voortjagen, denk ik, kun je bosbadderen tot je een ons weegt. Je kunt immers niet de hele dag in het bos leven, de meeste mensen niet althans. En hoeveel kamerplanten zijn er nodig om de rusteloosheid van onze tijd te compenseren? Honderd per mobieltje? Duizend?

Hoeveel moet je bosbadderen om de week door te komen? Elke dag, elke week?

Wat uit Japan komt, klinkt al gauw mysterieus, maar er is een heel praktische reden dat deze trend uit Japan komt. Liefst van de bevolking woont er in steden. En dan werken ze er ook nog eens heel hard.

Logisch dat ze naar groen snakken.

Maar als je bos nodig hebt om aan je leven te ontsnappen, is er misschien iets mis met dat leven. Of met onze tijd, onze prestatiesamenleving. Misschien snakken we vooral naar een leefwijze, willen we onproductief zijn, irrelevant en anoniem als een paddenstoel.

In elk geval moeten we bossen aanleggen, in plaats van kappen. Het Kralingse Bos is ook aangeplant, nog maar negentig jaar geleden, en kijk hoe blij het ons nu maakt.

Niet wie hardop praat in het bos is verward, lijkt me, maar wie in de stad voortjakkert zonder een seconde stil te staan.

Meer lezen?

Twee geloven die elkaar de hand schudden: dit beroemde Roermondse graf laat zien dat het kan Begraafplaatsen zijn net als Funda: locatie is alles. En elke rang, stand en religie heeft er zijn eigen wijk. Maar in Roermond trekt het beroemde ‘graf met de handjes’ een lange neus naar de gevestigde orde. Ga je met me mee kijken? Lees het verhaal van Arjen hier terug