Een paar maanden geleden bezocht de Dalai Lama Nederland. In een vol Ahoy beantwoordde hij levensvragen van bewonderaars en legde in een lezing uit waarom mededogen cruciaal is in onze ‘verontruste wereld’. De westerse mens, weet hij, lijdt vandaag de dag onder een surplus aan stress, hebzucht en jaloezie.

Het is een bekend verhaal, om niet te zeggen een cliché. Het gevulde stadion zal herkennend geknikt hebben: het moderne leven is lijden.

Wie schrijft over het moderne leven, loopt onvermijdelijk tegen dat lijden aan. Het verstopt zich tussen monumenten van vooruitgang en wolken van verwondering, maar het is er altijd. Is het niet jouw lijden, dan is het wel dat van iemand anders, dichtbij of aan de andere kant van de wereld.

Door de ervaringen die horen bij het moderne leven te ontleden, hoopte ik iets op te vangen van wat de moderne mens – die vaak samen bleek te vallen met de moderne consument – nu eigenlijk wil. Achter de curieuze gewoonten van tegenwoordig gaan verlangens schuil. Maar heb je het over verlangens, dan heb je het meestal ook over gemis, gebrek.

Ik schreef bijvoorbeeld dat mensen belooft bij elkaar te brengen onder de authentiekste omstandigheden. dat je eindeloos gezelschap kan houden. die gemeenschapsgevoel bieden. En de seculiere meditatie die de broodnodige stilte verschaft in je hectische leven.

Maar van al die dingen kan je evenzeer iets grimmigers beweren: ze spelen in op fundamentele behoeften aan verbinding, zingeving en rust, maar ze vervullen die in feite maar nauwelijks, of nét genoeg om je te houden, verkleefd met je scherm, hongerend naar meer, beter, echter, mooier.

Het is geen opzienbarend inzicht, maar wel iets wat zich begint op te dringen als ik de stukken teruglees die ik schreef. Tot de ervaringen die het moderne leven scheppen, horen ook: stress, eenzaamheid, onrust en somberheid.

Iedereen een diagnose, ook de tijdgeest

Over dat soort ervaringen wil ik het de komende tijd hebben, vat het oneerbiedig samen als het moderne lijden.

Met ‘modern’ bedoel ik dat de manier waarop we lijden afhankelijk is van de tijd waarin we leven. Niet alleen omdat een specifieke manier van leven een specifiek soort leed met zich meebrengt, maar ook omdat de naam die dat leed krijgt van invloed is op hoe het ervaren wordt. En elke tijd benoemt het bijbehorende leed op een eigen manier.

Zo speelt in onze tijd de psychiatrie een hoofdrol bij dat benoemen. Modern lijden zou je vandaag de dag bijna net zo goed kunnen vatten als ‘ziektes van de moderne tijd.’ Voor bijna elke vorm van geestelijk leed bestaat een passende diagnose –

Eenzaamheid, stress en onrust, die gratis zijn inbegrepen bij de manier waarop velen van ons leven, heten zorgwekkend vaak depressie, angst en ADHD.

Die diagnoses dienen als imperfect classificatiesysteem voor een realiteit die te complex is om te vatten. Ze suggereren dat psychisch leed, hoe persoonlijk en uniek ook, volgens een aantal vaste patronen kan verlopen. Ze helpen enige orde te scheppen, bieden houvast en erkenning en een gemeenschappelijke taal om over leed te praten. Ze maken ook dat veel leed in een medisch daglicht komt te staan, waardoor het een zaak wordt van dokters en wetenschappers.

Maar over de aard, prevalentie en oorzaken van aandoeningen als depressie, ADHD en verslaving lopen de meningen op z’n zachtst gezegd nogal uiteen. Daar komt bij dat de variaties eindeloos zijn. Het lijkt inmiddels wel een breed gedragen idee dat je een individu niet los kunt zien van haar omgeving en een geest niet los van een lichaam. Zowel biologische en psychologische als sociale factoren spelen mee.

Psychiaters, schrijvers en critici diagnosticeren dan ook net zo lief het individu als de hele moderne samenleving. Schrijvende therapeuten als Paul Verhaeghe, Dirk de Wachter en Darian Leader schromen niet om wat ze in hun spreekkamers zien om te smeden tot cultuurkritiek. Als zoveel mensen ziek zijn – – dan moet de cultuur ook de temperatuur genomen worden.

Epidemie of beschaving?

Of je het nu eens bent met deze cultuurpsychiaters of niet, het moderne lijden wordt ervaren als een zaak van de hele samenleving. Alleen al in economisch opzicht. Psychische klachten, zo NRC Handelsblad vorig jaar een onderzoek van ING, kosten de maatschappij jaarlijks 20 miljard.

En nog kan de GGZ zoveel lijdende mensen al jaren niet aan. Momenteel staan er, volgens een recent onderzoek van NOS, in Nederland op wachtlijsten voor psychische zorg.

Bezuinigingen in de zorg ten spijt, Nederland geeft het meeste uit aan geestelijke gezondheidszorg van alle landen in Europa. Geestelijk (on)welzijn is een nationale fascinatie; je hoeft de krant maar open te slaan om te zien dat we ons graag bezighouden met het benoemen, analyseren en oplossen van moderne tijd-ziekten als burn-out, depressie en ADHD.

Of het een maatschappelijk probleem is, of juist een teken van beschaving en emancipatie dat zo veel mensen durven uit te komen voor hun geestelijk leed en er hulp voor zoeken, hangt helemaal af van wie je het vraagt.

En ook of wel het zo’n goed idee is om bij zoveel vormen van menselijk lijden van een stoornis of ziekte te spreken (en dus naar de psychiater of psycholoog te stappen) is al decennia het onderwerp van verhitte die vele opiniepagina’s vult.

Zonder in zulke debatten meteen een standpunt in te willen nemen, gaat het mij hier voorlopig om de vraag wat het voor moderne mensen betekent om geestelijk te lijden en hoe we dat lijden begrijpen.

Wat doet het bijvoorbeeld met je om een diagnose te krijgen? Wat levert dat op en wat neemt het je af? Hoe definitief voelt zo’n label? En hoe zit het als je het zonder diagnose moet stellen, maar wel hulp nodig hebt? Bij wie of wat ga je dan te rade?

Worden we gelukkig van geluk?

En hoe erg is het eigenlijk allemaal? Want terwijl de vraag naar geestelijke zorg epidemische proporties aanneemt, scharen Nederlanders zich tegelijkertijd al jaren bij de gelukkigste bevolkingen ter wereld. Een interessante paradox.

Ik vermoed dat een fascinatie met geestelijk (on)welzijn samenhangt met het najagen van misschien wel de ultieme, hedendaagse norm: geluk. In onze samenleving is de laatste jaren evenredig veel aandacht voor mentaal leed, als voor geluk als meetbare waarde. Zowel overheden als individuen zoeken, gewapend met cijfers en grafieken, steeds koortsachtiger naar de sleutel tot een gelukkig leven. Niet voor niets trekt de Dalai Lama volle stadions.

Heb je het over lijden en hoe je dat bestrijdt, dan zul je het volgens mij dus ook moeten hebben over geluk, hoe je dat voor je ziet en hoe je dat denkt te verkrijgen. En over hoe leed en geluk zich tot elkaar verhouden.

Waarom kun je tegenwoordig bijvoorbeeld wel op je werk zeggen dat je depressief bent, maar niet dat je je ongelukkig voelt? Wel dat je werkt aan je geluk, maar niet dat je eenzaam bent?

Al met al sla ik een parallelweg in van het moderne leven. De komende tijd ga ik op zoek naar verhalen die helpen begrijpen wat het moderne lijden is. Hoe we het benoemen, ervaren en het proberen weg te nemen – bij de psychiater, de buurvrouw of de Dalai Lama. En vooral wat daar zo eigentijds aan is.

Heb jij zo’n verhaal, dan hoor ik het graag.

Meer lezen?

Hoe de mens een batterij werd (en de economie ons tot opladen dwingt) Van vakanties om ‘bij te tanken’ tot wandelingen ‘waar we energie van krijgen’ en ‘Chief Energy Officers’ als de leidinggevenden van de toekomst: ‘energie’ is de heilige graal van deze eeuw. Maar waar laden we ons eigenlijk voor op? Lees het verhaal van Lynn hier terug

Aandachtscrisis? Technologie is niet het probleem. En ook niet de oplossing Aandacht is de belangrijkste grondstof van deze tijd geworden. Iedereen is erop uit: van getroebleerde YouTubers, tot de machtigste techbedrijven. Die laatste geven we er graag de schuld van dat we voortdurend afgeleid zijn. Maar dat is te simpel. Lees het verhaal van Nina hier terug