Mijn opa ging dood en de verzekeringsmaatschappij stuurde een kaartje.

Soms is lullig zo leuk dat het je dwars door de dood heen doet lachen. Waar hem dat in zit? De intentie, waarschijnlijk. Ander lulligs? Tja.

In een vorig leven, toen ik uit beleefdheid op double date ging en kon doen alsof gourmetten een genietbare manier van eten is, was er een ruziënd stel over de vloer. Hij was vegetariër, zij kon een discussie niet winnen en wreef daarom het vleessap van haar minislavink uit over zijn afgebakende stukje vleesvrije grillplaat. Bakvetwraak is geïsoleerd lullig. Lullig zonder bijvoeglijk naamwoord.

Dan is er nog schemerlullig, lullig waarvan alleen ingewijden kunnen inschatten of het een probleem is of een grinnik waard. Lullig waarvan alleen zij iets mogen zeggen.

Lullig zoals op deze decemberdag waarop het nooit echt licht wordt. Volgens m’n lief zo mistig dat zelfs de vogels moeten lopen. Ik wacht op hem. Er worden kerstbomen verkocht op de parkeerplaats van de supermarkt. Hij is de auto gaan halen op voorwaarde dat ik straks zelf de naalden van de achterbank zal stofzuigen, wat ik niet zal doen, wat hij weet.

Vijftig bomen verkocht de venter al vandaag, maar hij zweert dat ík echt de mooiste heb uitgekozen. Klant eenenvijftig parkeert nabij, stapt uit en roept ‘Ik kom eraan, ma!’ over het dak van zijn auto. Hij doet eerst de achterdeur open om zijn moeders wandelstok van de achterbank te pakken, maar tegen de tijd dat hij het metallic rode exemplaar heeft uitgeladen, staat ma al naast de wagen.

Ma is een vrouw in de vorm van een komma. Haar linkerhelft steunt op de metallic stok, rechts hangt ze in de arm van de zoon, die naar de boomverkoper roept dat hij door het bos de bomen niet meer ziet en dat er zoveel staan dat hij er vast wel eentje gratis mag meenemen.

De eerste boom die ze aanwijst, lacht zoon uit: ‘Ma, jij vindt ook alles best hè?’

De verkoper maakt een even vermoeide woordgrap terug, de zoon begeleidt zijn moeder richting een rij mogelijkheden. Ze loopt vrij snel, hij lijkt haar af te remmen in plaats van te ondersteunen.

De eerste boom die ze aanwijst, lacht hij uit. ‘Ma, jij vindt ook alles best hè? Deze is alleen onderin vol.’ Hij kijkt me aan, knikt richting de vrouw aan zijn arm, proest: ‘Die is gekrompen hè, die heeft een ander perspectief dan wij.’

De tweede boom die ze mooi vindt, vanuit elk perspectief vol, heeft exact dezelfde kleur als alle andere bomen. De zoon wijst haar op het feit dat haar ogen achteruit zijn gegaan: zo’n grijzig-groene moet ze niet willen, die blijven niet lang mooi.

De derde boom staat recht naast de tweede, bij het aanwijzen maakt haar vinger maar een lichte beweging naar rechts. De zoon zet zijn hand boven zijn ogen alsof hij een zonnige horizon afspeurt, laat zijn blik glijden, niet een klein stukje, maar een paar meter naar rechts. Daar staat een boom van drie meter hoog. ‘Wat wijs jij nou aan, ma? Díé? Je zit niet meer in het oude huis hè, dat gaat nooit passen.’

Zoon herontdekt de eerste boom – hij denkt dat het een vierde is

Wanneer de zoon de eerste boom herontdekt – hij denkt dat het een vierde boom is – draait hij richting de verkoper en bepaalt dat dit hem is. Deze wil ze. Mooi vol, groenig-groen. Hij gaat de auto nog even iets dichterbij zetten, zo terug.

Hij pakt ma bij haar schouders, zakt lichtjes door zijn knieën, kijkt haar recht in de ogen aan en articuleert: ‘Ben-zo-te-rug-ja?’

Zoon beent naar zijn auto, ma zet haar stok tegen een hek en loopt een rondje tussen de bomen. Ik sta te kijken hoe de zoon probeert zijn hoedenplank los te maken en vraag me plots af hoe het mijn lief daarmee eigenlijk vergaat, als ma me in mijn zij port.

Nu knikt zij naar haar zoon. ‘Ik ben net alleen. Hij moet er nog even aan wennen.’