De Brexiteers wilden de controle terug. Maar door het vertrek uit de EU raken de Britten juist invloed kwijt

De Brexiteers riepen om het hardst dat na het vertrek uit de EU het Verenigd Koninkrijk zou floreren als handelsnatie. Maar ze doen alsof de handel nog net zo verloopt als in de negentiende eeuw, leerde ik toen ik me verdiepte in hoe handel werkt.
Zoals door de crash van 2008 velen voor het eerst onder de motorkap keken van het mondiale financiĆ«le stelsel, met de vraag āwat Ćs geld eigenlijkā, zo biedt de Brexit een vergelijkbare kans. De vraag is nu: hoe werkt wereldhandel eigenlijk? Een bij Brexit betrokken Nederlandse diplomaat beschreef zijn eigen leercurve hierover aldus: āPas door een ledemaat van het lichaam af te scheuren, zie je op hoeveel manieren die vastzit en ermee is vergroeid.ā
Bij hun campagne voor de Brexit wisten de voorstanders van āLeaveā bij het grote publiek heel handig in te spelen op negentiende-eeuwse ideeĆ«n over wereldhandel. Ze deden het voorkomen alsof iedereen met enkel zijn gezonde verstand handel kon begrijpen: landen maken producten en diensten en die verhandelen ze met andere landen.
Het enige dat je goed moet regelen zijn de in- en uitvoertarieven. Hoe lager die zijn, hoe vrijer de handel. Easy!
Hetzelfde verhaal hoor je nog altijd in continentaal Europa bij neonationalisten als PVV-leider Geert Wilders en Thierry Baudet van Forum voor Democratie: de EU moet volgens hen net als vroeger āgewoonā weer een apolitieke handelszone worden.
Het klinkt goed en het leent zich voor mooie slogans als ātake back controlā. Maar de werkelijkheid is net een beetje ingewikkelder, en waar Wilders en Baudet zich nog van de domme weten te houden, kunnen Brexiteers er inmiddels steeds moeilijker omheen: in de eenentwintigste eeuw functioneren de wereldeconomie en de wereldhandel wezenlijk anders dan vroeger. En daarmee de soevereiniteit.
De werking van de wereldeconomie is een breed onderwerp waarover je, net als bij het mondiale financiƫle stelsel, niet kunt praten zonder verpletterend veel jargon en technische detailskennis of juist grote versimpelingen en weglatingen.
Laten we daarom drie belangrijke veranderingen eruit pikken, te beginnen met de steeds verdergaande specialisatie van de productie van goederen en diensten.

1. Bijna elke productieketen is afhankelijk van onderdelen uit de hele EU
Het negentiende-eeuwse idee van handel impliceert dat een product wordt gemaakt door ƩƩn bedrijf of producent, in ƩƩn bepaald land. Maar in een Airbus 320 zitten onderdelen uit Hamburg, Stade, Bremen, Saint-Nazaire, Nantes, Toulouse, Getafe in Spanje en het Britse Broughton.
Hetzelfde principe geldt voor de autofabrieken van Ford, Honda en Nissan die in Groot-BrittanniĆ« staan en de hele EU bedienen: zulke autoās zijn opgebouwd uit onderdelen afkomstig uit vele EU-landen, waaronder Nederland. Wij hebben weliswaar geen āeigenā automerk meer, maar leveren wel allerlei onderdelen aan de auto-industrie.
Dat auto- en vliegtuigbouwers in de EU met zulke bouwpakketten van onderdelen kunnen werken, komt doordat net als EU-burgers ook goederen en diensten vrij door de hele EU kunnen worden verplaatst. āFrictieloosā is hier de term.
Dankzij deze āfrictieloosheidā kan het productieproces van Ford en andere autofabrikanten werken met een just-in-time-delivery-systeem, waarbij de autofabrikant zelf nauwelijks voorraden hoeft te beheren en daardoor veel kosten bespaart. Alles komt precies op het goede moment aan en wordt dan direct verwerkt. Vaak gaan bewerkte onderdelen weer terug naar de producent van herkomst, die er weer aan sleutelt, waarna ze naar Ford teruggaan ā waardoor sommige onderdelen een paar keer heen en weer gaan.
Het sleutelwoord hier is āproductieketenā. Industriepolitiek in de eenentwintigste eeuw draait erom je land in zo veel mogelijk van die productieketens een plekje te laten veroveren, wat alleen al de werkgelegenheid ten goede komt.
Autofabrikanten in Groot-Brittanniƫ zeggen, net als bijvoorbeeld Airbus, dat een harde Brexit hen ernstig in de problemen brengt
De in Groot-Brittanniƫ gevestigde autofabrikanten, waar tienduizenden mensen werken, hebben net als bijvoorbeeld Airbus laten weten dat een harde Brexit hen ernstig in de problemen gaat brengen.* Een harde Brexit betekent immers dat onderdelen niet langer frictieloos heen en weer kunnen reizen tussen Groot-Brittanniƫ en de rest van de EU.
Stel dat Friesland de onafhankelijkheid uitroept en een enorme muur om de provincie zet. Dan moet je niet raar opkijken wanneer bedrijven binnen Friesland, die afhankelijk zijn van leveranciers of personeel uit de rest van Nederland, naar een andere provincie verhuizen. Eigenlijk zou het realistischer zijn om niet meer te spreken van een Europese āsingle marketāā de interne markt ā maar eerder van āƩƩn EU-economieā. Want dat zijn we aan het worden.
Wie spreekt van die ene EU-economie maakt ook meteen duidelijk dat het logischerwijs onmogelijk is dat het Verenigd Koninkrijk zich enerzijds aan de regels van de EU onttrekt (het gevolg van een āhardeā Brexit) maar anderzijds onderdeel blijft van de ene EU-economie. Die wordt immers bijeengehouden door enerzijds open grenzen voor goederen, diensten, kapitaal en werknemers, waar de Britten vanaf willen, en tevens door regels die worden geĆÆnterpreteerd en afgedwongen door het Hof van Justitie, het hoogste gerechtshof van de EU.
Na de Brexit willen de Britten met dat hof niets meer te maken hebben. Hoe kun je integraal onderdeel blijven van een markt die in laatste instantie wordt bijeengehouden door een rechtsorde en een hof dat je niet langer erkent?
2. De EU-kwaliteitseisen voor producten vormen een formidabele handelsbarriĆØre
Ook veel heersende ideeĆ«n over import- en exporttarieven zijn achterhaald. Die tarieven vormen allang niet meer de enige belangrijke hindernissen bij handel. Het gaat tegenwoordig ook om de zogeheten āstandaardenā en kwaliteitseisen. Welke stoffen mogen er in een product zitten? Met welke middelen mag het gemaakt zijn? Hoe moet het verpakt worden? Welke werkomstandigheden voor het personeel hanteert de fabriek van het product? Hoe behandelt de fabriek zijn lokale leveranciers?
Of, voor de dienstensector: wat zijn de kapitaalbuffers van deze financiƫle dienstverlener die in ons land pensioenen of verzekeringen wil gaan verkopen? Welke toezichthouder is in welke omstandigheden waarvoor verantwoordelijk?
Het zijn allemaal vragen die het voor landen en bedrijven buiten de EU moeilijker dan wel onmogelijk maken met hun producten toegang te krijgen tot de interne markt.
Neem de landbouwlobby in de Verenigde Staten. Al tijden probeert die Europeanen aan de Amerikaanse chlorinekip te krijgen: kippen die zijn bewerkt met allerlei chemicaliƫn. De EU wil haar consumenten voor die kippen beschermen en houdt de markt ervoor gesloten. Dit heeft niks met tarieven te maken.
De geprivatiseerde Amerikaanse gezondheidszorg zou graag de Europese markt opgaan en buiten de huisarts om zijn medicijnen verkopen
Ander voorbeeld: de geprivatiseerde Amerikaanse gezondheidszorg zou graag de Europese markt opgaan en in Nederland net als in de VS de huisarts uitschakelen, zodat ze direct aan consumenten medicijnen kunnen verkopen. Nederlanders willen dit niet, en ook dit heeft niks met handelstarieven te maken.
Nu wordt ook duidelijk waarom diepgaande en uitgebreide onderhandelingen over vrijhandelsverdragen altijd jaren duren en duizelingwekkend lange en gedetailleerde regels voortbrengen: er moet veel erg precies worden beschreven. Bij zoān overeenkomst worden ook wel tarieven geslecht, maar de regels daarover zouden in een dun boekje passen. Het recente EU-verdrag met Canada telt meer dan duizend paginaās.
Aan de ene kant is het gemakkelijker om een vrijhandelsverdrag af te sluiten met ƩƩn land dan met een blok van 28 lidstaten. Daar staat tegenover dat de EU bij onderhandelingen een markt in de aanbieding heeft van 510 miljoen ā en na Brexit 450 miljoen ā consumenten. Dat biedt een fenomenale onderhandelingspositie.
Verder geldt dat de EU op het gebied van kwaliteitseisen een echte wereldmacht is, wat ook wel bekend staat als het āBrussel-effectā. De standaarden waaraan bedrijven en producenten moeten voldoen om naar de EU te mogen exporteren, worden geregeld de wereldstandaard: het is immers duur om met twee productielijnen te werken, eentje voor de EU en eentje voor erbuiten.
De Britten moeten bij een harde Brexit straks zelf hun handelsverdragen sluiten ā de Amerikaanse fokkers van chlorinekippen en de geprivatiseerde gezondheidslobby lopen zich al warm.

3. Voor het dataverkeer over klanten gelden ook na de Brexit nog dezelfde regels
Ten slotte zijn er de data, het derde relatief recente fenomeen waardoor handelsbeleid in de eenentwintigste eeuw wezenlijk anders is dan daarvoor. Ooit maakte je een product, verkocht dat aan een ander land en klaar was je. Nu leveren veel bedrijven naast het product allerlei diensten en proberen ze zo veel mogelijk data over hun klant te verzamelen.
Handel is dus niet langer een eenmalige handeling maar veeleer een relatie aan het worden. Het punt is dat wanneer je als Brits bedrijf straks niet meer deel uitmaakt van de interne markt van de EU, jouw dataverzameling over klanten in de EU nog altijd moet voldoen aan de regels van de EU.
Die ācontrolā die je anders gezegd met de Brexit wilde terugnemen, ben je dus evengoed kwijt. Zolang de Britten lid waren van de EU konden ze die regels mede vormgeven ā en een groot land als het Verenigd Koninkrijk legde zoveel gewicht in de schaal dat ze vaak hun zin kregen.
Nog ellendiger voor de Britten: bedrijven in de EU die concurreren met Britse bedrijven kunnen nu proberen Brussel te bewegen de regels zodanig aan te passen dat hun Britse concurrent daar in die ene EU-economie schade door ondervindt. Zo gaat dat in de wereldeconomie: het is geen poldermodel, het is een jungle. Concurrentie hoeft niet altijd op prijs of kwaliteit: met een slimme lobby bemoeilijk je met regelgeving de toegang van je concurrent tot de markt.
Elk handelsverdrag beperkt je soevereiniteit
Bovenstaand was voor mij allemaal nieuw, toen begin 2016 de campagne begon voor wel of niet in de EU blijven: ik wist niet wat ik allemaal niet wist.
Van dat handelsverdrag met Canada had ik eigenlijk alleen gehoord na protesten over de tribunalen, die geschillen zouden beslechten tussen landen en buitenlandse investeerders. Anders dan lokale rechtbanken onttrekken zulke tribunalen zich aan duidelijke democratische controle, waardoor deze investeerders via die tribunalen alsnog hun gelijk zouden kunnen halen en compensatie kunnen eisen. Zo zou je een ondemocratisch element in je economie introduceren.
Ook dit is de realiteit van de wereldeconomie: ieder handelsverdrag beperkt de soevereiniteit van de betrokken landen.
De Brexiteers lopen steeds om dit inzicht heen. Enerzijds beloven ze handelsverdragen met alle economische grootmachten waarmee de EU nog geen overeenkomst heeft (āGlobal Britainā), anderzijds beloven ze soevereiniteit, terwijl die met ieder nieuw verdrag verder wordt ingeperkt.
Hadden de Brexiteers dat allemaal Ʃcht niet door?
Blijft de vraag of de Brexiteers zoals Boris Johnson zelf dit alles ook echt niet doorhadden. Hun uitspraken suggereren dat, hoe ongelofelijk ook, een deel van hen nog altijd niet snappen hoe de interne EU-economie en de wereldhandel werkt. Misschien is dat een rookgordijn, maar waarschijnlijker is dat veel prominente Brexiteers juist voorstander zijn van het slopen van al die EU-standaarden die consumenten, werknemers en het milieu beschermen.
Het Brexit-kamp is een heel gemengd boeket, waarin ook mensen zitten die zich simpelweg gigantisch hebben verkeken op het belang van de productieketens voor bedrijven in de EU.
Zo riepen allerlei Brexiteers voorafgaand aan het referendum dat de Duitse auto-industrie de economie van het Verenigd Koninkrijk zou redden. Die verkoopt immers enorm veel autoās aan de Britten. Dat willen ze natuurlijk blijven doen, en dus dachten de Britten toegang voor Duitse autoproducenten tot hun markt te kunnen ruilen tegen een deal die hen alle voordelen gaf van het EU-lidmaatschap ā maar zonder de verplichtingen.
Brexiteer David Davis: āNa het referendum ga ik niet naar Brussel. Ik ga naar Berlijn. En daar sluit ik een hele goede post-Brexit-dealā
Brexit-prominent David Davis verklaarde vol zelfvertrouwen: āNa het referendum ga ik niet naar Brussel. Ik ga naar Berlijn. En daar sluit ik een hele goede post-Brexit-deal.ā Zijn maatje Liam Fox noemde zoān verdrag met de EU āhet makkelijkste uit de geschiedenisā.
De realiteit is anders gebleken, en uitgerekend de Duitse zakenlobby (āwerkgeversorganisatieā, zeggen we in het poldermodel) bepleit een harde lijn tegenover de Britten: er mag geen speciale deal komen die de ongedeelde EU-economie kan ondermijnen, verwateren of onwerkbaar bureaucratisch maken, vinden de Duitse werkgevers. Want als het Verenigd Koninkrijk eenmaal allerlei uitzonderingsposities krijgt, eisen alle landen die. En valt die ene EU-economie weer uiteen in 27 aparte gebieden met ieder hun eigen regels.

De politieke verlamming bij de Britten blijft
En zo blijft de Britse politiek stuurloos ronddrijven. Men schrikt terug voor de economische pijn die het gevolg is van vertrek uit de EU-economie ā goed voor 44 procent van alle Britse uitvoer.* Maar men wil na de Brexit ook geen deel blijven uitmaken van de EU-economie, zoals bijvoorbeeld niet-EU-lid Noorwegen. Want dan moeten de Britten een groot deel van de regels voor de interne markt inclusief het vrije verkeer van werknemers blijven volgen, en dat zonder er nog invloed op te hebben. Ook blijft de Britten dan weinig speelruimte voor het sluiten van handelsverdragen met landen buiten de EU, vanwege de verplichting de regels van de EU over te nemen.
De politieke verlamming bij de Britten is zodanig dat een zogeheten āno-deal-scenarioā steeds waarschijnlijker wordt. Een harde Brexit doet pijn maar een no-deal is nog wel even wat anders. Dan komt er geen overgangsregeling waarbij de Britten zich stap voor stap ordentelijk terugtrekken uit de EU.
Straks moeten de EU en de Britten handel voeren op de meest minimale basis die er bestaat: de regels van de WTO
In plaats daarvan vervallen op de avond van 29 maart in ƩƩn klap alle verdragen tussen de EU en de Britten. Er moet dan gehandeld gaan worden op de meest minimale basis die er bestaat, namelijk volgens de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Deze biedt alleen rudimentaire regelingen voor handel in goederen, en voorziet nog steeds in heftige tarieven, vooral voor landbouwproducten.
Vandaar dat veel landen ābovenopā die WTO-regels met elkaar de eerder genoemde, dieper gaande vrijhandelsverdragen sluiten. De EU heeft met 69 landen zulke verdragen gesloten,* en ook hier vallen de Britten bij een no-deal in principe buiten. The Guardian onthulde deze maand dat Londen pas met zeven landen overeenstemming heeft bereikt om de verdragen voorlopig te continueren.* Deze zeven kunnen bovendien die overeenstemming op ieder moment intrekken. De handel met landen van buiten de EU ter waarde van meer dan 115 miljard pond staat nu bij een no-deal op het spel.
Echte rampscenarioās die allemaal al bekend waren
āNa de Brexit hebben wij alle troeven in handenā, beloofde Brexit-architect Michael Gove voorafgaand aan het referendum aan zijn kiezers.* Nu moet diezelfde Michael Gove toegeven dat bij een no-deal ā als dus alleen WTO-regels gelden ā de prijzen van goederen in de supermarkt fors zullen stijgen.
Ook kon hij niet garanderen dat Britse boeren straks überhaupt nog landbouwproducten kunnen uitvoeren naar Europa, omdat er bij een no-deal controles moeten worden uitgevoerd of die producten wel veilig zijn. Het zou wel een halfjaar kunnen duren voordat de EU zulke controles snel en efficiënt kan uitvoeren.*
Het zijn echte rampscenarioās, die stuk voor stuk bekend waren voordat de Britten voor de Brexit stemden. Maar alles werd afgedaan als bangmakerij: āProject Fearā. Nota bene Michael Gove verklaarde destijds op tv dat de Britse bevolking āgenoeg had van expertsā.* De vraag is nu wanneer de Britse bevolking genoeg krijgt van figuren als Michael Gove.