Beste

Enkele weken geleden spraken we elkaar op ‘Kinderopvang à la Carte’ waar jij als hoofdredacteur van het tijdschrift Beleid Bestuur Management & Pedagogiek in de kinderopvang mede-initiator van was. In de koffiepauze sprak je me aan.

Je vertelde me dat je mijn ‘strijd’ voor betere kinderopvang en betere zorg voor baby’s waardeert, maar zei het jammer te vinden dat ik steeds vergeet te vermelden dat de meeste kinderopvangondernemers ‘echt hartstikke goed bezig zijn.’ Ondernemers vinden de pedagogische kwaliteit nét zo belangrijk als ik. Om me daarvan te overtuigen nodigde je me uit om een keer met jou te gaan wandelen en te praten over de kinderopvang in Nederland.

Die uitnodiging neem ik graag aan, want na het bezoek aan jouw congres in Bussum ben ik er alleen maar méér van overtuigd geraakt dat, zoals de naam van je tijdschrift al doet vermoeden, pedagogiek bij veel Nederlandse kinderopvangondernemers en beleidsmakers op de laatste plaats komt.

Bekeken vanuit het stelsel dat in 2005 voor de kinderopvang in Nederland is geïntroduceerd – marktwerking – is dat deels te begrijpen. We kunnen het erover eens zijn dat de kinderopvangondernemers het niet makkelijk hebben op dit moment. Sinds ouders per 2012 van het ministerie van Sociale Zaken minder subsidie krijgen om hun kind naar de crèche te brengen, hebben kinderopvangondernemers te maken met een leegloop van 30 procent.

Dat is natuurlijk rampzalig voor een ondernemer. Na zes vette jaren waarin buitenlandse durfinvesteerders grote Nederlandse kinderopvangorganisaties opkochten en dikke winst maakten, worden de ondernemers nu wel heel hard geconfronteerd met het feit dat de marktwerking ook een minder aangename kant heeft.

En nu wil minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) ook nog dat de kinderopvang flexibeler wordt. Dat betekent dat ouders niet meer hoeven te betalen voor, bijvoorbeeld, een totaalpakket van elf uur op één dag en voortaan zelf bepalen hoeveel uur ze willen afnemen. En alleen voor die uren moeten ze dan betalen. Ik begrijp heel goed dat deze vorm van kinderopvang - die jij terecht ‘à la carte’ noemt - het voor ondernemers nóg moeilijker maakt om hun zaak te laten draaien. Want ondertussen mag dit allemaal niet ten koste gaan van de pedagogische kwaliteit.

En de pedagogische kwaliteit dan?

Op je congres wilde je een paar voorbeelden laten zien van organisaties die wél flexibele opvang kunnen bieden, maar waarbij ‘de vermeende nadelen’ voor kinderen ‘goeddeels worden beperkt.’ Ik was daar heel benieuwd naar, want dat lijkt me een bijzonder knappe prestatie. Ik heb namelijk van de dat de hoogste kostenpost in de kinderopvang het personeel is.

Als je serieus moet besparen, moet je je daar dus op richten. En daarmee raak je de kinderen natuurlijk altijd. Ik hoef je niet uit te leggen dat meer flexibiliteit en het bijbehorende wisselende personeel dat met een nulurencontract in een ‘mobiliteitspoel’ zit, niet echt bevorderlijk is voor de groepssfeer en weinig gelegenheid creëert om elkaar – leidsters en kinderen – goed te leren kennen. En ik hoef je waarschijnlijk ook niet te vertellen hoe belangrijk een vaste stamgroep is. Lees anders hierover nog even terug.

Een beetje verbaasd was ik dus wel dat de eerste spreker op het congres mij wel degelijk wist te overtuigen dat een bepaalde vorm van flexibiliteit best mogelijk is: deze ondernemer biedt ouders de mogelijkheid om tegen een verhoogd uurtarief kinderopvang af te nemen van halfnegen tot halfvijf (alleen een dagdeel in de ochtend kan ook) – de schoolvakanties zijn altijd vrij.

Daarnaast kunnen ouders zelf voor eten en luiers zorgen, maar dat hoeft niet. Door voor deze constructie te kiezen, zijn ouders ondanks het hogere uurtarief, tóch goedkoper uit. Hoe het bij deze organisatie met de pedagogische kwaliteit is gesteld, kon ik niet opmaken uit het verhaal, maar als die goed is, vind ik dit wel een mooi concept. Die kortere dagen zijn zelfs wel toe te juichen. Tien of elf uur opvang per dag is voor een kind immer behoorlijk lang.

Een B-merk voor kinderopvang?

Van je tweede spreker kreeg ik echter kippenvel. Hoe kun je zonder blikken of blozen vertellen dat je twee ‘merken’ kinderopvang voert waarbij je bij het ene merk - het zogenaamde ‘A-merk’ - wél met een pedagogisch plan werkt en bij het goedkope B-merk – waarvan het logo volledig op het logo van de HEMA was geïnspireerd - niet?

Hoe kun je met droge ogen beweren dat de leidsters van het A-merk trainingen krijgen waarin ze leren waarom bepaalde handelingen voor kinderen heel belangrijk zijn, terwijl de leidsters van het B-merk niet op cursus mogen en het moeten stellen met een paar korte do’s en don’ts en voor leidsters?

Hebben niet alle kinderen recht op goede zorg en begeleiding? De poging van jouw spreekster om de zaal met een reclamefilmpje ervan te overtuigen dat het bij het B-merk echt wel snor zat met de kwaliteit, viel compleet in duigen toen collega Ewoud Poerink de opgevoerde enthousiaste ‘ouder’ ontmaskerde als werknemer van de crèche zelf.

Wat is dat toch met die ondernemers, dat ze zo hardnekkig blijven wijzen op die tevredenheid van de ouders? Toen in Nederland de kwaliteit van de kinderopvang een dieptepunt bereikte – de helft scoorde onvoldoende en de rest matig - gaven de ouders hun crèche Daaruit kun je vooral opmaken: ouders hebben geen idee van kwaliteit.

Het beoordelen van de kwaliteit gaat een stuk verder dan die glimlach van de leidster bij binnenkomst. Het verbaasde me dan ook dat toen een van de ondernemers op je congres ervoor pleitte onwetende ouders van goede en gedegen pedagogische informatie te voorzien, ze geen enkele bijval kreeg van haar collega-ondernemers in de zaal en dat de opmerking dat ‘kinderopvangondernemers niet als dominee aan ouders moeten gaan vertellen wat goed is voor hun kinderen op de crèche, dat weten ze zelf namelijk heel goed!’ ervoor zorgde dat iedereen spontaan begon te applaudisseren.

Wie bepaalt de kwaliteit?

Wat die pedagogische kwaliteit betreft, probeerde Lex Staal, directeur van de brancheorganisatie kinderopvang, iedereen ook nog eens zand in de ogen te strooien. Het probleem in Nederland, zo stelde hij, was dat we nog nooit met z’n allen hadden gedefinieerd wat die pedagogische kwaliteit nu inhield.

Toen ik zei dat dit onwaar is, omdat professor Marianne Riksen-Walraven dit met haar collega’s van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek ( NCKO) al in 2004 heeft gedaan, viel Gjalt Jellesma van (de Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang) Lex Staal bij en zei dat het model van Riksen achterhaald is.

Riksen was het hier volgens Jellesma zelf mee eens. Ook dit bleek na navraag bij haar zelf niet waar. Volgens de andere kinderopvangexperts die samenwerken in het NCKO zijn er geen nieuwe wetenschappelijke inzichten die een herdefiniëring nodig maken. Sterker nog, de Noren vinden het kwaliteitsmodel zo interessant dat ze er óók mee willen gaan werken.

Zou het kunnen zijn dat Staal en zijn collega’s de definitie van pedagogische kwaliteit liever wat "anders" omschreven willen hebben, omdat ze niet zo heel erg goed uit de verf komen in de onderzoeken van het NCKO? Of vind je me nu een complotdenker?

Kortom, ik denk dat we veel te bespreken hebben. Ik laat me namelijk graag overtuigen dat de meeste ondernemers goed bezig zijn.

In afwachting en met een groet,

Marilse