Als je thuis bent waar je je koffer uitpakt, dan moet ik concluderen dat mijn appartement in New York voor mij thuis is. Nergens anders pak ik mijn koffer helemaal uit, daar wel. Met een aan paniek grenzende gretigheid doe ik dat, zodra ik in het huis arriveer. Soms zelfs al voor ik mijn jas uittrek.

Dat was ooit anders. Aan het begin van mijn bestaan in dit appartement zwierf mijn half uitgepakte koffer minstens een week door mijn woonkamer. Maar dat is al een tijd geleden, want vanaf november 1995 woon ik al in dezelfde woning op Manhattan. Al een jaar of tien zeg ik: ‘Ik wil iets kopen in New York.’ Het komt er steeds niet van: het gedachte-experiment blijft een gedachte-experiment.

Gisteren zei ik tegen mijn vriendin: ‘Ik heb nog altijd het gevoel dat het leven moet beginnen.’ Dat vond ze niet leuk. ‘Ons leven is toch begonnen?’ merkte ze op. Ons leven wel, maar het mijne nog altijd niet, had ik dat moeten antwoorden?

Op welke leeftijd wordt het belachelijk te denken dat het leven nog moet beginnen? Ben ik die grens niet allang gepasseerd? Begint het leven als je kinderen hebt? Zou dat een reden zijn om kinderen te maken? Zodat je kunt zeggen: ‘Kijk, ik ben eraan begonnen, het leven, daar is mijn kind.’

Zijn boeken dan geen kinderen? Ik vergelijk ze er graag mee. Vooral als mensen weer vragen: ‘Welk boek van jezelf vind je het beste?’ Bijna altijd antwoord ik dan: ‘Een moeder houdt van al haar kinderen evenveel.’ Hoewel dat vermoedelijk een beleefdheidsleugentje is, want niet alle ouders houden evenveel van al hun kinderen. Overigens zou dat een reden kunnen zijn om slechts één kind te maken; om niet te hoeven kiezen.

In mijn laatste bijdrage als Hotelmens, had ik het over ‘de contouren van de worsteling.’ Dat is ongetwijfeld waar – er was en is een worsteling en de stukken van de Hotelmens schetsen de contouren ervan – maar nu komt me dat woord ‘worsteling’ toch wat zwaar voor.

Een schrijver die beweert Hotelmens te zijn is vooral licht, ook als hij zich dooddrinkt en zich omringt met mensen met een acute doodswens en van zwaarmoedigheid zijn levensfilosofie heeft gemaakt. De lichtheid blijft overheersen, de vrolijke weemoed is zijn partijprogramma.

Zelfdestructie en frivoliteit sluiten elkaar geenszins uit, waarmee ik niet wil zeggen dat ik zelfdestructief ben, maar ik weet dat er hotelmensen bestonden die dat wel zijn geweest. Ik moet mezelf dus corrigeren, beter gezegd, ik moet iets toevoegen: het hotel maakt de meeste worstelingen licht en daarmee draaglijk.

Licht als de vlinderkusjes, het knipperen met je ogen tegen de wang van een ander, waardoor die ander de sensatie heeft dat daar een vlinder is geland. Zoals ik over een relatie schreef dat die geen begin had en daardoor ook niet echt kon eindigen, precies daarin schuilt de lichtheid van de worsteling.

Toen ik in de zomer van 2015 vast kwam te zitten in een tunnel in Tadzjikistan besefte ik dat de gedachte dat de ware Hotelmens overal thuis kan zijn, zoals ik vaak had beweerd, niet klopte. Misschien heb ik gewoon niet lang genoeg in die tunnel vastgezeten. Vermoedelijk had ik me op een gegeven moment ook in die tunnel thuis gevoeld. En toch, het vermoeden blijft bestaan, het vermogen je overal thuis te voelen is begrensd.

Ontheemding is meer dan een sport, het is een levensinstelling, een neveneffect van het combineren van verschillende temperamenten en verlangens, van berusting en opstandigheid, van fatalisme en verzet, maar ontheemding heeft toch ook een minimale hoeveelheid comfort nodig wil je er aardigheid in blijven behouden.

Daar in die tunnel was van comfort geen sprake meer, ik moest naar de wc, een infectie teisterde mij al dagen waardoor ik geen eten kon binnenhouden, slaapgebrek zorgde ervoor dat ik me aan mijn reisgenoot ergerde, het geloof weldra uit de tunnel te zullen komen ontbrak; het voelde alsof ik bezig was een doodswens uit te voeren.

Ontheemding is meer dan een sport, het is een levensinstelling

Ik wil het echter niet hebben over gradaties van ontheemding, en eigenlijk ook niet al te veel over doodswensen, maar over de verschillende gradaties van thuis-zijn. Nogmaals moet ik vaststellen dat New York het meest thuis is, terwijl toch vrijwel alles aan mijn appartement tijdelijk is en tijdelijkheid uitstraalt. Thuis, zelfs daar waar thuis-zijn een hoogtepunt heeft bereikt, behoudt een geïmproviseerd karakter.

Misschien heeft dat te maken met de gedachte die ik kort na aankomst in New York regelmatig uitsprak tegen Marianne, voor wie ik naar die stad was gegaan: ‘Over een paar jaar gaan we ergens anders wonen. Italië misschien.’ Zoals de drie zusters van Tsjechov naar Moskou willen zonder ooit naar Moskou te gaan, zo bleef mijn appartement getuige van de hoop dat er weldra een nieuwe stad zou worden aangedaan. Het geïmproviseerde karakter moet daaraan te wijten zijn. Een New Yorker zei: ‘Als je weg wilt uit New York en het lukt maar niet, dan ben je een New Yorker.’

‘Moeten wij dit allemaal weten?’ vroeg een lezer zich af naar aanleiding van een van de stukken van de Hotelmens. Dat was nog een milde reactie, want de Hotelmens maakt, zoveel werd duidelijk tijdens het publiceren van de stukken op De Correspondent, ook boos.

Een therapeut vertelde me dat als de patiënt over de therapeut begint te dromen de therapie is aangeslagen. Zo kun je zeggen dat de woede van de lezer een teken is dat de tekst is aangeslagen, waaraan ik meteen toevoeg dat de Hotelmens niet uit is op woede en evenmin op liefde.

De schrijver die van zijn lezers wenst te krijgen wat hij van zijn naasten niet ontvangt, kan misschien een goede schrijver zijn – hoewel ik dat stiekem betwijfel – hij is zeker geen Hotelmens. Een Hotelmens hengelt niet naar liefde, zeker niet naar liefde van lezers. In het hotel, en het eigen appartement is vanwege dat tijdelijke, geïmproviseerde karakter feitelijk ook een hotel, mag geen verplichting tot liefde bestaan. Wie weigert te geloven in zekerheid dient niet te hameren op verplichtingen.

De gedachte dat alles nog moet beginnen, zoals ik aan mijn vriendin had verteld, wil natuurlijk niet zeggen dat het eeuwige leven bestaat; het herlezen van de verhalen van de Hotelmens maakte me dat weer duidelijk. Alles moet nog beginnen, maar de tijd dringt, de eeuwigheid is ver weg. Zoals ik schreef: ‘Les 1 voor iedereen die het geluk zoekt: het geluk wil net als jij niet altijd worden gevonden.’ Waarom wil de Hotelmens niet echt worden gevonden? Op wat of wie wacht de Hotelmens?

In de serie Privé-Domein verscheen in 1974 een keuze uit autobiografische verhalen onder de titel Een goede titel voor een Hotelmens.

Objectief gezien ben ik halverwege mijn lunch, misschien al bij de espresso en de namiddag nadert, maar alles begint in de late namiddag, zo tussen vijf en zes, als in de vroege lente de schemering heeft ingezet.

Noem één mens die zich aan het tragische weet te onttrekken

Scott Fitzgerald schreef in een verhaal uit die bundel: ‘Het Hôtel du Cap in Antibes was bijna verlaten. De hitte nestelde zich in de blauwe en witte blokken van het balkon, en op de grote zeildoeken matten die onze vrienden over het terras hadden gespreid verwarmden we onze verbrande ruggen en bedachten nieuwe cocktails.’

Was F. Scott Fitzgerald ook een Hotelmens? Dat zal ik aan experts overlaten. Tragisch was hij zeker, maar noem een goede schrijver die dat niet was. Ja, noem één mens die zich aan het tragische weet te onttrekken.

Het citaat van Scott Fitzgerald bevat in elk geval de belangrijkste kenmerken van de Hotelmens. Het verlaten hotel. De cocktails die bedacht, maar niet gedronken worden. En dan nog de vrienden die matten op het terras hadden gespreid maar er zelf niet zijn. Er zijn sporen van vrienden in mijn appartement, zoals er sporen van diverse geliefdes zijn, foto’s op de koelkast, een onderbroek die een van hen heeft achtergelaten en die ik uit sentimentele redenen nooit heb weggegooid en toen maar in mijn archief bij ‘recensies uit Spanje en Italië’ heb verstopt.

Zo heeft een voormalige vriend mij een keer een grote foto van mij laten inlijsten, alsof ik daarop zat te wachten, maar weggooien durfde ik niet en ik heb de ingelijste foto toen maar onder het bed geschoven. Er zijn vrienden geweest en misschien komen ze terug, zoals er geliefdes zijn geweest die misschien terugkomen, en in de tussentijd bedenken we nieuwe cocktails.

Als dit de belangrijkste kenmerken van de Hotelmens zijn, wat betekent het dan om thuis te zijn in New York, waar het terras ontbreekt, vrienden met metro of taxi bezocht kunnen worden en er amper tijd is om nieuwe cocktails te drinken, laat staan te bedenken?

Thuis is waar drie planten staan, één floreert, één overleeft, één kwijnt weg, thuis is waar ik Franse les volg en op vaste dagen mijn werkster ontmoet met wie ik vaste rituelen afwerk – ik haal voor haar een taartje en groene thee – thuis is waar ik lessen krav maga volg, thuis is waar het verleden steeds groter wordt en de toekomst steeds kleiner.

Misschien is dat het cruciale verschil met die plekken waar thuis minder overheersend is, waar thuis meer een grijstint is dan iets zwarts. Daar is het verleden nihil en heeft de toekomst overmacht, daar heerst de sensatie dat alles nog moet beginnen, een gemoedstoestand die zo eigen is aan de Hotelmens.

Elk hotel een volgend leven, elk hotel een nieuw begin, elk hotel een radicale belofte en tevens een variatie op dezelfde worsteling die ik geen worsteling meer zou moeten noemen, al was het maar om de ander, de lezer, niet in verleiding te brengen te zeggen: ‘Houd toch op met worstelen.’

Hoewel mijn dagen vol zitten met deadlines en andere verplichtingen, niet tot liefde maar tot schrijven en verzorgen – het leven zonder verplichtingen is een gedachte-experiment – blijf ik me vastklampen, zeker niet geheel uit vrije wil, aan de uitspraak van dat het avontuur van je leven op de volgende straathoek kan beginnen.

Misschien is ook dat avontuur niet meer dan een gedachte-experiment. Een enkele keer stijgt het daarboven uit, wordt het harde werkelijkheid en vervolgens tekst.

Het verlaten hotel in Antibes en de summiere, noodzakelijke beschrijving van dat hotel.
De namiddag van de schrijver: ’s ochtends het avontuur, in de namiddag verslag daarvan uitbrengen.

Verder lezen?

Thuis ben je - hét boek voor de zomer Waar ben jij thuis? En hoe verbonden moet de mens eigenlijk zijn met het stukje grond waar hij werkt, woont en slaapt? Lees daarvoor deze zomer Thuis ben je - Berichten van een Hotelmens. Dat boek van Arnon Grunberg wordt uitgegeven door De Correspondent. Lees er hier meer over Vijf conclusies na bijna drie jaar mijn leven delen op De Correspondent Bijna drie jaar stelde ik op De Correspondent de vraag: waar ben je thuis? En deelde ik mijn leven met jullie. Als de geheime diensten toch alles al van je weten, dan kun je maar beter je leven bij voorbaat met de wereld delen. Deze vijf conclusies trok ik na al die openbaringen. Ook om te luisteren. Lees het verhaal terug