‘Zo’n imposante aanblik kende ik zelfs van Sumatra niet. Sumatra, dat bij Java vergeleken nóg meer aan ongerepte en grootse natuur biedt. Wij werden er stil van en voelden ons te midden van dat oerwoud nietig en hulpeloos.’

Zo omschrijft Abdul Chalid Salim zijn aankomst per schip in 1928 in het onherbergzame Nieuw-Guinea, een afgelegen uithoek van Nederlands-Indië. Daar lag het gevangenenkamp Boven-Digoel, waar hij vijftien jaar zou verblijven, geïsoleerd van de buitenwereld.

Salim, de jongere broer van de geleerde en nationalistische politicus Hadji Agoes Salim, was een ambitieuze student die in 1927 op Java was gearresteerd wegens zijn ‘communistische sympathieën.’ Een informant van het koloniale gezag – een ‘agent-provocateur,’ zoals Salim hem noemt – had hem uitgehoord over zijn nationalistische ideeën, en die doorgebriefd aan de geheime dienst.

Chalid Salim, die later zou worden geïnterneerd in Boven-Digoel, en zijn twee zusjes. Foto: KITLV

Chalid Salim, die later zou worden geïnterneerd in Boven-Digoel, en zijn twee zusjes. Foto: KITLV

Eerst zat Salim tien maanden gevangen in Medan, Sumatra, daarna kreeg hij te horen dat hij naar Boven-Digoel zou worden overgebracht. Vlak ervoor mocht hij afscheid nemen van zijn ouders.

Het viel de jongen zwaar, maar zijn vader bleef optimistisch en ‘vol vertrouwen in de rechtvaardigheid van God en de feilloosheid van het Ned. Indische Strafrecht.’ Salim, toen slechts 26 jaar oud, zou zijn ouders niet meer terugzien.

Boven-Digoel lijkt te zijn verdwenen uit ons nationale geheugen. Vandaar dat een aantal leden het kamp noemde na onze oproep onderwerpen te suggereren voor de serie Verzwegen geschiedenis.

Ook ik kende het kamp niet. Maar toen ik me erin verdiepte, bleek dat er veel over was geschreven, ook toen het kamp nog functioneerde. Juist omdat het kamp zo’n pervers karakter had. Waar van rechtvaardigheid geen sprake was, laat staan van de ‘feilloosheid’ van het strafrecht.

Salim is misschien de voornaamste bron van die kennis. In 1973 publiceerde hij het vuistdikke Vijftien jaar Boven-Digoel, concentratiekamp in Nieuw-Guinea. Bakermat van de Indonesische onafhankelijkheid (Contact, Amsterdam). De titel geeft aan waar Salims hart lag: bij de Indonesiërs die streefden naar onafhankelijkheid.

Wat was de aanleiding?

Hoe sterk de behoefte aan autonomie destijds was, bleek in 1926 en 1927 toen in Java en later West-Sumatra nationalisten en communisten in opstand kwamen tegen het koloniale bewind.

Van een goed georganiseerd verzet was geen sprake; de opstand beperkte zich tot fragmentarische rietbranden en sabotages. Maar de onrust maakte het koloniale gezag pijnlijk duidelijk dat het met 200.000 Nederlanders tegenover 60 miljoen Indonesiërs

Met de rest – uiteindelijk 1.300 mannen en vrouwen – wist het koloniale gezag zich geen raad

De paniek bij het gezag was zo groot, dat het in die jaren 13.000 mensen liet arresteren. Vaak was onduidelijk of zij überhaupt iets met het verzet te maken hadden gehad. Vier mensen werden ter dood veroordeeld

Een deel, zo’n 4.500 mensen, werd schuldig bevonden aan samenzwering tegen de Nederlandse overheid, en veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het grootste deel kwam na een paar maanden alsnog vrij.

Met de rest – zo’n 800 mannen en vrouwen, wat door latere arrestaties aangroeide tot 1.300 – wist het koloniale gezag zich geen raad. Bij deze mensen was er geen juridisch overtuigend bewijs dat ze iets strafbaars hadden gedaan, terwijl de autoriteiten er wel van overtuigd waren dat ze communistische of nationalistische sympathieën hadden.

Gevangenen, opgepakt wegens veronderstelde communistische sympathieën, worden geboeid van boord gezet om geïnterneerd te worden in Boven-Digoel. Foto: KITLV

Gevangenen, opgepakt wegens veronderstelde communistische sympathieën, worden geboeid van boord gezet om geïnterneerd te worden in Boven-Digoel. Foto: KITLV

Extreem afgelegen en geïsoleerd

Vandaar dat het besluit viel een kamp te bouwen, en hen daarin op te sluiten. Een strafkamp mocht het niet genoemd worden, want die waren bedoeld voor veroordeelde gevangenen. Wat het wel was, werd bewust onduidelijk gehouden. Belangrijk was dat het zo gewoon mogelijk moest lijken. De plek, Boven-Digoel, was een concentratiekamp, vermomd als een ‘normaal’ Indonesisch dorp.

Papoea’s, vermoedelijk bij het interneringskamp Tanah Merah (Boven-Digoel). Foto: KITLV

Papoea’s, vermoedelijk bij het interneringskamp Tanah Merah (Boven-Digoel). Foto: KITLV

De locatie: het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea, een reusachtig eiland, bedekt met uitgestrekt regenwoud en aan de noordzijde begrensd door een bergketen met scherpe toppen tot 5.000 meter. De bewoners waren een volk waarvan weinig bekend was, maar dat zou bestaan uit gevaarlijke

Aan de zuidkust van het eiland, op de Nederlandse helft van het eiland, lag de monding van de rivier Digoel. Vijfhonderd kilometer stroomopwaarts, in het hart van het onverbiddelijke oerwoud, moest het kamp komen, zo was besloten, vanwege

Uit wanhoop overboord gesprongen

De reis naar het afgelegen Boven-Digoel duurde lang – vanwege de slechte verbindingen zelfs langer dan die naar Nederland. Van Batavia, het huidige Jakarta, ging het naar Soerabaja, dan naar Makassar (Celebes), dan per pakketboot naar Ambon.

Daar moest weer worden overgestapt op een boot die talloze buitenposten van de Molukken aandeed, voordat hij op Nieuw-Guinea aankwam.

Kamparts Louis Schoonheyt beschreef de aankomst zo, in zijn in 1936 verschenen ‘Er viel gestadig een motregentje en het geheel maakte een grootse, maar zeer mistroostige indruk op ons, nieuwelingen in deze jungle. (...) Ik begreep bij die gelegenheid voor het eerst hoe – enige jaren tevoren – de wellicht voor hun hele leven verbannen geïnterneerden zich moesten hebben gevoeld, toen zij onder gewapend geleide deze groene hel binnenvoeren.’

‘Ik begreep voor het eerst hoe de geïnterneerden zich hebben gevoeld, toen ze deze groene hel binnenvoeren’

‘De Hollandse kapitein wees de modderige kust aan, en de modderbanken die het bevaren van de rivier bemoeilijkten. Gnuivend om het lot van zijn passagiers om verbannen te zijn naar deze woeste uithoek van de wereld, zei hij; ‘Een fijn modderlandje waar jullie heen reizen, geef mij Mokum maar!’

Abdul Chalid Salim kwam er in 1927 aan. Bij het opvaren van de rivier beseften hij en de andere gevangenen goed wat hun ballingschap inhield, wat sommigen tot wanhoop dreef. Salim beschrijft hoe ternauwernood kon worden voorkomen dat een van zijn medegevangenen overboord sprong om zich te verdrinken.

De perfecte gevangenis

Later beschrijft hij, soms in gruwelijke details, hoe een krokodil af en toe een bewoner greep en met het slachtoffer spartelend tussen zijn kaken de rivier overzwom, om aan de overkant van de rivier onder water te verdwijnen. Hun lichamen werden nooit gevonden, want ‘meestal laten de krokodillen hun prooi eerst in holen of onder zware houtmassa’s onder water ontbinden alvorens die te verslinden.’

Ontginning van het land in het interneringskamp te Tanah Merah (Boven-Digoel) en de riviermond van de Digoel. Foto’s: KITLV

Ontginning van het land in het interneringskamp te Tanah Merah (Boven-Digoel) en de riviermond van de Digoel. Foto’s: KITLV

Boven-Digoel was in alle opzichten de perfecte gevangenis. Alleen, het was geen gevangenis.

De juridische definitie daarvan is: een plek waar veroordeelde misdadigers hun straf uitzitten. Maar de geïnterneerden van Boven-Digoel hadden geen enkele wet overtreden.

Daardoor is Boven-Digoel vergelijkbaar met een concentratiekamp, zoals de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog inrichtten in Amersfoort en Vught, ofwel, zoals het woord beschrijft, een ‘afgesloten kamp waar aan het gezag onwelgevallige of gestrafte personen in barakken gevangen gehouden worden.’

Onvoldoende bewijzen

Maar ook met de laatste gevangenen die in Guantánamo Bay verblijven: ze zitten vast vanwege hun veronderstelde sympathie of betrokkenheid bij radicaal-islamitische terreur, hoewel er onvoldoende bewijzen zijn om hen te veroordelen,

Volgens Klaas Stutje, werkzaam bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, past het kamp in het straf- en penitentiaire systeem van die tijd, en valt het tegelijkertijd erbuiten.

Geïnterneerde uit het kamp Tanah Merah of het nabijgelegen kamp Tanah Tinggi. Foto: KITLV

Geïnterneerde uit het kamp Tanah Merah of het nabijgelegen kamp Tanah Tinggi. Foto: KITLV

Stutje, die onderzoek doet naar dwangarbeid en gevangenissen in Nederlands-Indië, wijst erop dat de term concentratiekamp in de jaren twintig, vroege jaren dertig, vooral geassocieerd werd met kampen die de Britten erop na hielden tijdens de Boerenoorlogen in het Zuid-Afrika van vlak voor de eeuwwisseling.

Boven-Digoel was in elk geval geen vernietigingskamp, zoals Auschwitz in Polen, wat tegenwoordig vaak foutief als synoniem van concentratiekamp wordt gebruikt. Het doel was vooral isoleren en psychisch breken, aldus Stutje. Verbanning was bovendien niet ongebruikelijk in het Nederlandse juridische systeem.

Al sinds de negentiende eeuw werden politieke gevangenen zonder proces verbannen naar een plek ver weg in de archipel. Stutje: ‘Het was een manier om eenvoudig af te komen van plaatselijke vorsten die niet wilden meewerken met het koloniale bewind. Zij werden opgepakt en ergens neergezet waar ze geen invloed meer konden uitoefenen op hun omgeving.’

Het gezag had ‘exorbitante rechten’

Dit was mogelijk door het bestaan van de Verbanning was dus niet uitzonderlijk in die tijd – zie ook het over de Surinaamse voorvechter van onafhankelijkheid Anton de Kom in de vorige aflevering van deze serie. Toch was Boven-Digoel anders. Want waar doorgaans een enkele lastige volksleider werd verbannen, waren nu 1.300 mensen naar een andere plek gebracht.

Louis Johan Alexander Schoonheyt (de middelste man) tussen personeel van de malariabestrijdingsdienst en het ziekenhuis in Boven-Digoel. Foto: KITLV

Louis Johan Alexander Schoonheyt (de middelste man) tussen personeel van de malariabestrijdingsdienst en het ziekenhuis in Boven-Digoel. Foto: KITLV

Het was de koloniale overheid er dan ook alles aan gelegen te doen alsof de actie volkomen normaal was. Terwijl critici, vooral in de schreven over het concentratiekamp dat Nederland had opgericht in Nieuw-Guinea, sprak Batavia van het ‘administratief verplaatsen’ van individuen.

De lukrake arrestaties van honderden mensen zetten veel kwaad bloed bij de bevolking van Nederlands-Indië. De oprichting van het concentratiekamp leidde tot kritiek, ook in de

In 1930 werd besloten een lid van de W.P. Hillen, naar Boven-Digoel te sturen met als opdracht in kaart te brengen welke mensen daar (inmiddels vaak al drie jaar) gevangenzaten.

De toekomst van de geïnterneerden zag bestuurder Hillen somber in, door ziekten als malaria en zwartwaterkoorts

Ook Salim sprak met Hillen. Op de vraag wat hij van de politieke situatie in Indië dacht, antwoordde Salim dat hij ‘het met deze sociale toestanden niet eens kon zijn en steeds voor verbetering ervan zou blijven

Hillen keerde terug naar de bewoonde wereld en publiceerde in hetzelfde jaar zijn rapport. Hij concludeerde dat de massale arrestaties onterecht waren. De omstandigheden in het kamp waren weliswaar redelijk gunstig, maar de toekomst van de geïnterneerden zag hij somber in, door heersende ziekten als malaria en zwartwaterkoorts.

Rapport-Hillen ‘te soft’

De Nederlandse media veroordeelden het rapport-Hillen als te soft: de inspecteur zou zich om de tuin hebben laten leiden door de geïnterneerden. De Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (voorloper van de huidige PvdA) diende weliswaar een motie in waarin de Nederlandse regering verantwoordelijk werd gehouden voor het leed van onschuldige gevangenen in Boven-Digoel, maar alle andere Tweede Kamerfracties stemden daartegen. Boven-Digoel bleef in stand.

Als gevolg van het rapport-Hillen kwam wel een aanzienlijk deel van de gevangenen vrij. Het waren mensen die niet alleen aantoonbaar onschuldig waren, maar ook ‘wier mentaliteit thans zozeer ten goede is veranderd, dat voor hen de internering

Op onregelmatige tijden werd een lijst met namen in het kamp opgehangen. Wie zijn naam daar zag staan, wist dat hij snel mocht vertrekken. Het was een pijnlijke periode voor geïnterneerden zoals Salim, die door hun openhartigheid en onwil om naar de mond van de bezetter te praten te gevaarlijk werden geacht om in de samenleving terug te keren. Zij zagen hun vrienden vertrekken, maar bleven zelf achter.

De waarheidsgetrouwe verslagen die de kranten wél haalden, werden veelal ‘communistisch besmet’ genoemd

Bezoek van de pers was aan grote restricties verbonden en contact met de bewoners was niet toegestaan. Journalisten lieten zich doorgaans gemakkelijk een rad voor ogen draaien. Kritische, vaak linkse, verslaggevers lukte het soms toch om rechtstreeks met de geïnterneerden te praten, bijvoorbeeld door patiënten van de kamparts te bezoeken.

Salim en zijn medegevangenen hoopten dat de verslagen in Nederland tot protest zouden leiden. Maar de paar waarheidsgetrouwe verslagen die de kranten wél haalden, werden niet zelden ‘communistisch besmet’ genoemd, waarbij

De berichten hadden daardoor alleen effect bij linkse intellectuelen en communisten, zoals de dichter Jef Last die onder meer Het digoel Wilhelmus schreef, vrij naar Marnix van St. Aldegonde:

Het digoel Wilhelmus

Wilhelmus van Nassauwe,
zing ik omdat het moet,
den vaderland getrouwe
dat dronk mijn broeders bloed.
De knechten van Oranje
lieten mij ongedeerd,
de rechter zei, ‘k verban je
opdat je ginds krepeert.

In Blanda’s vrees te leven
heb ‘k niet genoeg betracht,
daarom ben ik verdreven

Het grote publiek bleef echter doof voor geluiden als die van Last. Liever lazen zij het van kamparts Schoonheyt, die twee jaar in het kamp werkte. In zijn boek toonde Schoonheyt zich vooral een kind van zijn tijd.

Zo beschreef hij hoe onsympathiek de ‘onverzoenlijken’ waren, zonder te beseffen hoe onrechtvaardig ze werden behandeld. In een lezing beschreef de arts ‘op een vlotte, aangename en vaak humoristische wijze Boven-Digoel, het leven aldaar, de geïnterneerden, de bevolking en vegetatie,’ aldus

Kamparts Louis Johan Alexander Schoonheyt met huispersoneel en een gevangen python in Boven-Digoel. Foto’s: KITLV

Kamparts Louis Johan Alexander Schoonheyt met huispersoneel en een gevangen python in Boven-Digoel. Foto’s: KITLV

De bekende dichter en schrijver Edgar du Perron zag het anders. In van Schoonheyts memoires schreef hij dat de arts ‘vindt dat wij Hollanders - voor een strafkolonie dan - het daar heel aardig hebben ingericht’ en dat de ‘indische burgerij’ met ‘veel instemming’ kennisnam van zijn inzichten.

‘Jef Last’s Liedjes op de maat van de rottan leest deze burgerij niet,’ verwijst Du Perron naar de componist van Het digoel Wilhelmus.

In de publieke opinie bleef Boven-Digoel daarom een ‘isolatiekamp’ voor oproerkraaiers, die ‘administratief verwijderd’ waren om de rust in de samenleving te bewaren. Een plek voor heropvoeding van te mondige Indonesiërs die van het juiste – lees: koloniale – pad dreigden te raken.

Toneelstukje onder dwang

Een doel van Boven-Digoel was om de gevangenen eraan te herinneren welke politieke ideeën geaccepteerd werden en welke manier van leven gold als ‘normaal.’ Daartoe werd een vreemd toneelstukje opgevoerd. Geïnterneerden mochten kiezen welk beroep ze wilden uitoefenen. Ze konden boer worden, een beetje vissen, een winkeltje openen, een klein restaurantje beginnen, of werken voor een van de uitspanningen die de Nederlanders er hadden opgericht. Ze werden er, kortom, herinnerd aan wat hun juiste plek in de maatschappij was.

Boven-Digoel mocht namelijk niet overkomen als een concentratiekamp. Het moest normaliteit uitstralen waarin iedereen, zelfs de geïnterneerden, moesten geloven. Zij die de regels naleefden, werden ‘werkwilligen’ genoemd.

Het was een publiek geheim dat hoe beter een gevangene deed alsof hij geloofde in de wereld die de kampleiders uitbeeldden, hoe groter de kans was dat hij werd vrijgelaten. Een wreed en effectief spel, dat door iedereen moest worden meegespeeld.

Want voor wie niet meewerkte, was er een andere plek bedacht.

Het kamp der onverzoenlijken

Boven-Digoel bestond feitelijk uit twee kampen: het ‘gewone’ kamp Tanah Merah (Rode Aarde) waar mensen verbleven die het spelletje ‘normaal doen’ wilden meespelen. En, dertig kilometer verder omhoog, nog dieper de jungle in, Tanah Tinggi (Hoge Aarde), een kamp met nog minder voorzieningen. Hierin kwamen ‘de onverzoenlijken’ terecht, die volgens de regels van Tanah Merah wilden leven. Slechts een keer per maand kwam hier een boot met goederen en post aan.

Barak in het interneringskamp Tanah Tinggi (kamp der onverzoenlijken). Foto: KITLV

Barak in het interneringskamp Tanah Tinggi (kamp der onverzoenlijken). Foto: KITLV

Salim kwam hier ‘per ongeluk’ terecht in de eerste maanden van zijn internering. Bijna had hij het verblijf daar niet overleefd: hij werd ernstig ziek vlak voor de boot aankwam. Daardoor kon hij net op tijd worden meegenomen naar het ‘rode’ kamp, waar een kliniek was.

De volgende vijftien jaar zou hij alles eraan doen om niet teruggestuurd te worden. Hij zou, kortom, het spel van de Nederlanders meespelen en doen alsof Boven-Digoel een gewone plek was, voor gewone mensen.

Volgens de historicus Rudolf Mrázek zou het kamp ‘voor altijd berucht blijven in Indonesië als een van de ergste plekken van verbanning’

De Tsjechisch-Amerikaanse historicus Rudolf Mrázek spreekt van ‘perverted normalcy’ als hij het leven in Boven-Digoel beschrijft. In zijn biografie over Soetan Sjahrir, de eerste premier van het onafhankelijke Indonesië die ook gevangenzat in Boven-Digoel, schrijft Mrázek dat het kamp ‘voor altijd berucht zou blijven in Indonesië als een van de ergste plekken van verbanning.’

Een afschuwelijk kamp dat werd ingericht als een kunstmatig dorp, met winkeltjes, scholen, een voetbalclub, zelfs met een tennisbaan. Een ‘normale’ omgeving waarin de heropvoeding van mensen met tegendraadse ideeën centraal stond.

Normaal dorpje-spelen

Mrázek: ‘”Normaal dorpje-spelen” was het idee, een wreed spel. Het was een publiek geheim dat werkwilligers die ermee instemden te doen alsof ze normale dorpelingen waren, door de autoriteiten welwillender werden behandeld, vooral wanneer er moest worden besloten of een banneling geschikt was om terug naar huis te keren. Wat kon er perverser zijn in de kolonie! Het kamp ‘maakte’ boeren en leerde ze om de grond te bewerken – opdat ze eraan

Klaas Stutje ziet overeenkomsten met het Duitse ‘modelkamp’ Theresienstadt. ‘In Theresienstadt moest het Rode Kruis op bezoek kunnen komen, en daarom waren er voetbalteams van Joodse gevangenen die tegen elkaar speelden. Er was een orkestje,’ zegt hij.

Kamparts Louis Johan Alexander Schoonheyt in het voetbalteam van Boven-Digoel, bestaande uit geïnterneerden en leden van het Binnenlands Bestuur. Foto: KITLV

Kamparts Louis Johan Alexander Schoonheyt in het voetbalteam van Boven-Digoel, bestaande uit geïnterneerden en leden van het Binnenlands Bestuur. Foto: KITLV

‘De indruk werd gewekt dat het belangrijk was dat de Joden uit de samenleving geïsoleerd werden, maar dat ze in die kampen de gelegenheid kregen zichzelf te zijn en een eigen leven op te bouwen. Wat natuurlijk een perverse redenering was. Op theoretisch niveau kun je stellen dat er met Boven-Digoel hetzelfde gebeurde.’

‘Het was vaak tragisch om aan te zien, hoe voorheen lichamelijk en geestelijk actieve persoonlijkheden langzaam aftakelden’

In Boven-Digoel werd ook de schijn opgehouden dat het een normaal dorp was, geboren uit de noodzaak om mensen opnieuw op te voeden. Het moest een modeldorp lijken, voor de inspecteurs die rapporteerden aan de Raad en de Nederlandse overheid maar ook voor de pers. Zo moest duidelijk worden dat er hier géén straffen werden uitgedeeld, maar dat er lastige elementen uit de samenleving op een ‘natuurlijke’ manier werden heropgevoed.

Verzwegen werd dat in Boven-Digoel veel geïnterneerden, voorheen intelligente, ambitieuze en geëngageerde Indonesiërs, na jaren gevangenschap hun verstand verloren.

Salim was er getuige van: ‘Ten slotte zaten de patiënten maar doelloos voor zich uit te staren en begonnen ze in zichzelf te praten. Het was vaak tragisch om aan te zien, hoe voorheen lichamelijk en geestelijk actieve en evenwichtige persoonlijkheden langzaam maar zeker

Het einde van Boven-Digoel

De Japanse bezetting van Nederlands-Indië luidde het einde van het kamp in. Salim en de andere gevangenen werden in 1943 per vliegtuig overgebracht naar Australië. Omdat ze de status van geïnterneerden hadden, werden ze daar ondergebracht in een krijgsgevangenenkamp, omgeven door prikkeldraad en mitrailleurs.

De Nederlandse luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook, die er op bezoek kwam, zou in 1949 over de oud-Digoelgangers schrijven dat een ‘principiële fout’ is gemaakt doordat de interneringsmaatregel ‘géén tijdelijk karakter’ had. ‘Die fout wordt nóg groter, indien de internering geschiedt in een afgelegen oord.’

‘Er waren onder de ruim duizend mensen talrijken van wie men zich afvroeg, met welk doel ze eigenlijk nog afgezonderd werden gehouden,’ vervolgde hij. ‘Een aantal hunner was apathisch geworden; anderen gingen gewoon weer aan de arbeid. Er bleef natuurlijk een verbitterde en ontwortelde kern over, die – sterk communistisch gekleurd – veel heeft bijgedragen tot de verslechtering van onze naam en positie

Opnieuw vergeten in een ander kamp

Het was ernstige kritiek op de voorgangers van de gouverneur-generaal, die de geïnterneerden al die jaren hadden laten wegkwijnen. Maar op het moment dat het boek van Van Mook verscheen had de Nederlandse overheid het te druk met de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog om zich het lot van de geïnterneerden aan te trekken. Het leek erop dat Salim en de andere gevangenen opnieuw vergeten zouden worden, dit keer in een ander strafkamp.

Salim besefte dat hij grotere kans had als hij de Nederlanders passeerde en zich direct tot de Australische overheid zou richten. Hij trad naar voren als woordvoerder van de gevangenen en legde hun situatie uit aan een Australische vertegenwoordiger van de regering. Er volgde onmiddellijk reactie, hoewel deze hen voor een vreemde keuze stelde: de regering wilde hen weliswaar vrijlaten, maar alleen op voorwaarde dat zij zich zouden aansluiten bij de Australische reservisten. Salim zag geen andere uitweg en ging akkoord.

Hij verhuisde van het krijgsgevangenenkamp naar een legerbasis in het dorp Toowoomba, vlakbij Brisbane.

‘Een wat eenzijdige blik’

Toen Vijftien jaar Boven-Digoel verscheen, reikte Salim het eerste exemplaar ervan uit aan Wim Schermerhorn, oud-verzetsman en de eerste premier na de oorlog

Schermerhorn vond het een ‘welkome aanvulling van onze beperkte en wat eenzijdige kijk’ op de geschiedenis van Indonesië tussen de twee wereldoorlogen, schrijft hij in het voorwoord.

Maar, hoewel hij de publicatie van het boek ondersteunde, deed Schermerhorn dit ‘zeker niet’ ter bevrediging van een gevoel ‘van nationale zelfbeschuldiging, waaraan ik niet lijd.’ Om daarna opgelucht te schrijven: ‘Trouwens, slechts een enkele maal is er sprake van een harde aanklacht tegen het systeem en zeer zelden jegens mensen.’

Ex-premier Schermerhorn steunde de publicatie door Salim, maar ‘zeker niet’ uit een gevoel ‘van nationale zelfbeschuldiging’

Zijn woorden weerspiegelen de tijdgeest: Nederland was begin jaren zeventig niet toe aan kritische beschouwing van de koloniale periode.

Zo sprak dagblad Trouw in een recensie van een ‘belangrijk boek’ maar betitelde het het kamp zelf slechts als een ‘wonderlijke samenleving.’ Van enig debat of Nederland wellicht excuses moest aanbieden aan overlevenden als Salim, was destijds geen sprake.

Toch was Salim niet zo ‘mild’ als Schermerhorn beschreef, getuige de cynische wijze waarop hij de effectieve methodes van de voormalig kolonisator prees.

Het was Nederland gelukt een deel van de Indonesische politieke avant-garde monddood te maken, schreef hij bitter: ‘[A]ls ik aan het einde van mijn geinterneerdenbestaan te Digoel om mij heen zag hoe doeltreffend deze ‘bondgenoten op de lange duur’ gefunctioneerd hadden en hoe men een groot deel van onze strijdbare figuren klein had gekregen, voelde ik ‘respect’ voor die Nederlanders die dit geniale en geraffineerde spel met mensenlevens op lange termijn hadden uitgedacht!’

Het militaire kampement bij het interneringskamp Boven-Digoel. Foto: KITLV

Het militaire kampement bij het interneringskamp Boven-Digoel. Foto: KITLV

Uitstalkast van het kolonialisme

De succesvolle poging om het kamp voor de buitenwacht af te schilderen als een ‘ethisch’ verantwoord oord voor heropvoeding, om op die manier maatschappelijke onrust te dempen, maakt van Boven-Digoel een bizarre plek. Een plek die, in de woorden van Mrázek, de moeite waard is om te herinneren als ‘een perversie, en een uitstalkast van waartoe kolonialisme in staat is.’

Met dank aan Klaas Stutje, Nancy Jouwe en Wim Manuhutu.

Dit verhaal is onderdeel van het project waarin experts geschiedenissen delen die in elk schoolboek thuishoren. Partner biedt bronnen en achtergrondinformatie, organiseert evenementen en
lesmateriaal.
Radiozender maakt video’s en radio over dit thema. Komend jaar verschijnen nog talloze verhalen in deze reeks, die

We gaan verder met verzwegen geschiedenis Welke geschiedenis hoort in elk schoolboek thuis? Jullie droegen in oktober tientallen verhaalideeën aan. Schrijfster Karin Amatmoekrim, correspondent Verzwegen geschiedenis, zal er de komende tijd over schrijven. Lees de update hier terug Verzwegen geschiedenis - Verhalen die iedere Nederlander aangaan Over bepaalde cruciale episodes uit de Nederlandse geschiedenis leer je niet of nauwelijks op school. Terwijl iedereen ze zou moeten kennen om een goed gesprek over identiteit, ongelijkheid, racisme en discriminatie te voeren. Lees het alle stukken terug